Raad van State - 221.633 - 4-12-2012

Samenvatting

Artikel 26 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de terugwijzings- en uitzettingsbesluiten verbod opleggen gedurende 10 jaar het Rijk binnen te komen, tenzij ze opgeschort of ingetrokken worden. Artikel 46bis van die wet bepaalt dat de burger van de Unie of zijn in artikel 40bis bedoelde familieleden ten vroegste twee jaar na de uitvoering van het koninklijk besluit tot uitzetting of het ministerieel besluit tot terugwijzing een aanvraag tot schorsing of opheffing van het betrokken besluit kunnen indienen en dat de betrokken vreemdelingen gedurende de behandeling van die aanvraag geen recht van toegang of verblijf in het Rijk hebben.
 
Dat een verzoek tot schorsing of opheffing “ten vroegste twee jaar na de uitvoering” van het besluit kan worden ingediend, doet geen afbreuk aan het feit dat het verblijfsverbod van 10 jaar geldt vanaf de datum van het besluit tot terugwijzing, te dezen dus vanaf 15 mei 2009. Ten overvloede weze vermeld dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan geen aanvraag tot schorsing of opheffing van het besluit tot terugwijzing blijkt, laat staan een beslissing in die zin. De verwijzing door de eerste rechter naar het feit dat het ministerieel besluit tot terugwijzing van 15 mei 2009 nog niet werd uitgevoerd, is dan ook irrelevant. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk voorzien dat de verbodsmaatregel gedurende 10 jaar geldt, dit wil zeggen vanaf de datum van het besluit en los van de uitvoering ervan, tenzij dat besluit wordt opgeschort of ingetrokken.
 
De eerste rechter verwijst naar artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit als hogere norm ten opzichte van het ministerieel besluit tot terugwijzing van 15 mei 2009. Hij stelt dat de gemeentelijke ambtenaar zich daarom niet op dat ministerieel besluit kon beroepen om geen gevolg te geven aan de expliciete verplichting om de verblijfsaanvraag van de huidige verweerster als familielid van een burger van de Unie te acteren. Daarmee verliest de eerste rechter uit het oog dat de in het ministerieel besluit tot terugwijzing van 15 mei 2009 bepaalde verbodsmaatregel van kracht is op grond van de hoger aangehaalde artikelen 26 en 46bis van de Vreemdelingenwet, die als wettelijke bepalingen primeren op de bepalingen van een koninklijk besluit.
 
Artikel 43 van de Vreemdelingenwet, waarnaar de eerste rechter ook verwijst, bepaalt dat het verblijf aan burgers van de Unie en hun familieleden slechts mag worden geweigerd om redenen van openbare orde en binnen bepaalde perken. De terugwijzing is echter zelf een in de Vreemdelingenwet  voorziene maatregel van openbare orde die er dan ook niet mee in strijd is en die dus de beslissing tot  weigering van een verblijfsrecht aan een familielid van een burger van de Unie, zoals de verweerster, kan gronden.