Raad van State - 224.276 - 5-07-2013

Samenvatting

Overeenkomstig artikel 48/5, § 3, van de Vreemdelingenwet is er geen behoefte aan bescherming als er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade bestaat en als van de verzoeker redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land blijft. Er wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen. 
Wanneer de vreemdeling uiteenzet waarom het door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in aanmerking genomen intern vestigingsalternatief niet kan worden aanvaard, dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze redenen te onderzoeken. Als hij de kritiek van de verzoeker verwerpt, moeten de redenen daarvoor duidelijk uit zijn arrest blijken.
Te dezen heeft de verzoeker in zijn verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met verwijzing naar meerdere rapporten van mensenrechtenorganisaties en vluchtelingeninstanties en met citaten uit die rapporten uiteengezet dat zijn situatie bij een terugkeer naar Afghanistan deze is van duizenden uitgezette of teruggekeerde vluchtelingen, wier leven zich afspeelt in vluchtelingenkampen waar de meest elementaire behoeften, zoals een woonst, eten en elementaire hygiëne, ontbreken. In die kampen is geen drinkbaar water, noch sanitair, noch toegang tot gezondheidszorgen. Volgens de verzoeker had de commissaris-generaal ten onrechte de verschrikkelijke levenssituatie van terugkomende vluchtelingen, die meestal in vluchtelingenkampen terechtkomen, niet onderzocht.
In het bestreden arrest wordt betreffende de toepassing van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet overwogen dat de verzoeker niet aantoont dat hij, die zich voordoet als een alleenstaande man, zich in zijn profiel onderscheidt van de andere alleenstaande mannen te Kaboel en dat de door de verzoeker toegevoegde landeninformatie niet kan leiden tot een andere oordeelsvorming dan deze in de aanvankelijk' bestreden beslissing.
Met die motivering antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op het door de door de verzoeker aangevoerde gevaar om bij een terugkeer naar Afghanistan in een vluchtelingenkamp te belanden noch op de aangevoerde levensomstandigheden in die kampen. Uit die zeer algemene motivering, met de vaststelling dat de door de verzoeker toegevoegde landeninformatie niet tot een ander oordeel kan leiden, blijkt niet dat het profiel van de verzoeker als terugkerende vluchteling onder ogen is genomen om tot de redelijkheid van het intern vluchtalternatief te besluiten, noch dat is onderzocht of de verzoeker zich met dat profiel niet onderscheidt van de andere alleenstaande mannen in Kaboel. Wat het intern vestigingsalternatief betreft, blijkt uit het bestreden arrest nergens dat van de verzoeker "redelijkerwijs" kan worden verwacht dat hij zich in Kaboel zou vestigen.
Door niet in te gaan op verzoekers kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende het risico om als teruggekeerde vluchteling in een Afghaans vluchtelingenkamp te belanden waar hij aan mensonwaardige toestanden zou worden blootgesteld en door aldus niet na te gaan of er, gezien de kritiek van de verzoeker, wel sprake is van een redelijk vestigingsalternatief om tot de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus te besluiten, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de in
artikel 149 van de Grondwet vastgelegde jurisdictionele motiveringsplicht geschonden. Het derde onderdeel van het enige middel is gegrond en die vaststelling volstaat voor de vernietiging van het bestreden arrest.
Het enige middel, waaronder het hierboven behandelde derde onderdeel, is uitsluitend gericht tegen het motief dat de verzoeker over een intern vestigingsaltematief in Kaboel zou beschikken. Dit motief wordt enkel gebruikt voor de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus. De erkenning als vluchteling wordt daarentegen geweigerd omdat de vaststellingen zoals gedaan in het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 62.546 van 31 mei 2011 betreffende verzoekers eerste asielaanvraag "onverminderd overeind blijven". In het bestreden arrest wordt meer bepaald overwogen dat "(d)e elementen noch de dienaangaande vastgestelde ongeloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas (... ) actueel het voorwerp uit(maken) van het geschil".
Derhalve blijft de vernietiging van het bestreden arrest beperkt tot de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus.