Raad van State - 229.372 - 27-11-2014

Samenvatting

Vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoekster ondergane besnijdenis niet betwist en deze op zich als een ernstige aantasting van de fysieke integriteit beschouwt, heeft hij aanvaard dat verzoekster het slachtoffer is geweest van een daad van vervolging of dat zij ernstige schade heeft geleden in de zin van artikel 48/3 of 48/4 Vw. Hieruit volgt dat de in artikel 48/7 Vw. vastgelegde omkering van de bewijslast ten dezen van toepassing is. Door echter verzoeksters aanvraag, die een duidelijk verband vertoont met de vervolging of de ernstige schade die zij reeds heeft ondergaan, eerst opnieuw aan de artikel 48/3 en 48/4 Vw. te toetsen en af te wijzen om vervolgens artikel 48/7 buiten beschouwing te laten, precies omdat verzoeksters aanvraag niet aan de artikelen 48/3 en 48/4 Vw. zou voldoen, heeft de RvV de omkering van de bewijslast geschonden. In het licht van de in het bestreden arrest aanvaarde door verzoekster reeds ondergane vervolging of ernstige schade, had de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers moeten uitgaan van het in artikel 48/7 Vw. vastgelegde weerlegbaar vermoeden en vervolgens pas moeten onderzoeken of er “goede redenen” zijn om daarvan af te wijken. Het tweede middel is in die mate gegrond en die vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.