Raad van State - 230.528 - 17-03-2015

Samenvatting

Uit de bewoordingen van artikel 39/57, §1 van de Vreemdelingenwet blijkt dat de beroepstermijn in principe dertig dagen bedraagt. Bij wijze van uitzondering bedraagt de beroepstermijn vijftien dagen indien het beroep wordt ingediend door een vreemdeling die op het ogenblik van de kennisgeving het voorwerp uitmaakt van een welbepaalde vrijheidsberovende maatregel, met name “een vreemdeling die zich op het ogenblik van de kennisgeving bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8 of 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering”. Deze uitzondering slaat dus enkel op vreemdelingen die op het ogenblik van de kennisgeving reeds worden vastgehouden op basis van een andere beslissing. De bewoordingen van de wet zijn duidelijk en vergen geen nadere interpretatie. Er kan dan ook geen afbreuk aan worden gedaan door de door verzoekende partij aangehaalde vermelding in de parlementaire voorbereiding. Bovendien gelden uitzonderingen strikt. Derhalve mag de uitzondering van de verkorte beroepstermijn niet worden uitgebreid tot de vreemdeling die bij de kennisgeving van een beslissing nog niet is vastgehouden doch pas van zijn vrijheid wordt beroofd bij de kennisgeving van die beslissing zelf.