Samenvatting
Te dezen lieten de verzoekers in een eerste middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gelden dat de verwerende partij in de eerste aanvankelijk bestreden beslissing ten onrechte stelde dat het bij de aanvraag van 24 april 2013 gevoegd medisch getuigschrift melding maakt van een ongewijzigde gezondheidstoestand in vergelijking met de eerdere aanvraag. In het bestreden arrest wordt daarop geantwoord dat de verzoekers reeds eerder een aanvraag op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet hadden ingediend die ongegrond werd verklaard, dat in het standaard medisch getuigschrift bij de aanvraag van 24 april 2013 die tot de beslissing van 16 mei 2013 heeft geleid dezelfde medische elementen werden ingeroepen die bij de vroegere aanvraag werden ingeroepen, dat dit niet door de verzoekers wordt betwist en dat dit volstaat om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren.
Als administratieve cassatierechter komt het de Raad van State niet toe zelf te oordelen of de verzoekers in hun aanvraag van 24 april 2013 al dan niet nieuwe medische elementen hebben aangevoerd in vergelijking met hun vorige aanvraag. Het blijkt echter dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de hiervoor aangehaalde motivering niet is ingegaan op de uitdrukkelijke kritiek van de verzoekers dat bij de aanvraag van 24 april 2013 wel degelijk andere medische omstandigheden werden ingeroepen dan bij de aanvraag van 16 januari 2012. Met de vaststelling dat de verzoekers het gebrek aan nieuwe elementen niet betwisten, miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wat dat betreft het middel en laat hij na het te beantwoorden, zodat de in artikel 149 van de Grondwet en in artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vastgelegde jurisdictionele motiveringsplicht is geschonden.
(…)
Zoals de verzoekers terecht laten gelden, impliceert het verplicht opleggen van een inreisverbod niet dat daarbij ook de maximumtermijn van drie jaar moet worden opgelegd. De duur van het inreisverbod moet overeenkomstig artikel 74/11, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet immers worden vastgesteld “door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval”. In strijd met deze bepaling, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat geen specifieke motivering is vereist om de maximumtermijn op te leggen omdat zulks de vermelding van de motieven van de motieven zou uitmaken. Op die manier legt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een verplichting die op de verwerende partij rust bij de vreemdeling zelf, die zou moeten aantonen waarom het maximum niet zou moeten worden opgelegd. Anders dan in het bestreden arrest wordt voorgehouden, kan de plicht om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval, niet worden beperkt tot een toetsing aan artikel 8 van het EVRM. Evenmin kan worden ingezien waarom het feit dat aan alle gezinsleden een inreisverbod wordt opgelegd, een verantwoording zou vormen om zonder nadere motivering de maximumtermijn op te leggen.