Raad van State - 231.042 - 29-04-2015

Samenvatting

Met de brief van 12 juni 2013 deelt een toegevoegd griffier “voor de hoofdgriffier” van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met toepassing van het aldus gewijzigde artikel 39/69, § 1, zesde lid, van de vreemdelingenwet aan verzoeker mee dat zijn verzoekschrift wordt geacht niet te zijn ingediend. Deze brief brengt op zichzelf geen rechtsgevolgen teweeg doch vormt enkel de mededeling van een rechtsgevolg voor verzoeker dat rechtstreeks uit de wet zelf voortvloeit, met name dat verzoekers verzoekschrift wordt geacht niet te zijn ingediend. Het is slechts wanneer een verzoeker na ontvangst van een brief van de griffie betwist dat zijn verzoekschrift moet worden geacht niet te zijn ingediend, dat een kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet nagaan of het beroep al dan niet op de rol moet worden geplaatst. Te dezen heeft verzoeker geen enkel initiatief in die zin genomen doch hij heeft zich meteen tot de Raad van State gewend om de vernietiging te vragen van de “beslissing” die volgens hem in de brief van 12 juni 2013 besloten lag. Die brief bevat echter geen voor vernietiging vatbare handeling.