Samenvatting
In een eerste onderdeel betreffende de “bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen” wijst verzoeker op artikel 39/2, § 1, van de vreemdelingenwet, waaruit hij afleidt dat de Raad voor Vreemdelingen-betwistingen niet over een eigen onderzoeksbevoegdheid beschikt doch zich enkel kan baseren op de elementen die in het dossier aanwezig zijn. Verzoeker acht de aangehaalde bepalingen geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingen-betwistingen te dezen zelf en ambtshalve stukken gaat opzoeken en onderzoeken om op basis daarvan vast te stellen dat verzoeker niet de Chinese nationaliteit zou bezitten doch staatloos zou zijn, zodat artikel 48/3 van de vreemdelingenwet van toepassing zou zijn voor wat betreft het land van gewoonlijk verblijf. De stukken in het dossier maken geen melding van enige nationaliteitswetgeving en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft die informatie zelf toegevoegd en vervolgens verzoekers nationaliteit onderzocht. Tot slot vraagt verzoeker zich af waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich op steunt om te stellen dat een Tibetaan in China zou moeten zijn geregistreerd om Chinees te kunnen zijn.
In een vierde onderdeel betreffende de “rechten van verdediging” laat verzoeker gelden dat hij ingevolge het door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf gevoerde onderzoek niet de kans heeft gekregen om zijn recht van verdediging uit te oefenen. Hij kon immers geen repliek voeren over zijn nationaliteit vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve een onderzoek heeft gevoerd en toepassing heeft gemaakt van de Chinese nationaliteitswet zonder dat deze door een partij was ingediend. Dergelijke schending van het recht van verdediging vormt volgens verzoeker ook een schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verzoekers asielaanvraag beoordeeld ten aanzien van India als eerste land van asiel in de zin van artikel 48/5, § 4, van de vreemdelingenwet. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen komt daarbij tot de vaststelling dat verzoeker niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet kan worden erkend en dat hij niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet.
In het bestreden arrest wordt verzoekers aanvraag eveneens beoordeeld ten aanzien van India en komt de Raad voor Vreemdelingen-betwistingen eveneens tot de vaststelling dat aan verzoeker noch de vluchtelingenstatus, noch de subsidiaire beschermingsstatus dient te worden toegekend. Het feit dat de beoordeling in het bestreden arrest is gebeurd ten aanzien van het land van gewoonlijk verblijf in plaats van het eerste land van asiel heeft geen invloed op de concrete beoordeling van verzoekers asielaanvraag aangezien zijn aanvraag telkens ten aanzien van India werd beoordeeld. De door verzoeker in het eerste en het vierde onderdeel van het eerste middel aangevoerde onwettigheden bij het onderzoek van zijn nationaliteit door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kunnen de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed en kunnen daarom ook niet tot de cassatie ervan leiden.