Samenvatting
Een beslissing tot weigering van verlenging van verblijf en een bevel om het grondgebied te verlaten zijn afzonderlijke beslissingen. Te dezen heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bevel om het grondgebied te verlaten vernietigd wegens een schending van artikel 3 van het EVRM. Dit houdt niet in dat de beslissing tot weigering van verlenging van verblijf, die geen verwijderingsmaatregel bevat, ook zou moeten worden vernietigd. Er is dan ook geen sprake van tegenstrijdige motieven die met een gebrek aan motivering zouden moeten worden gelijkgesteld. Het tweede middel is ongegrond wat de voorgehouden schending van de jurisdictionele motiveringsplicht betreft.
Zelfs indien wordt aangenomen dat een vereenvoudigd proces-verbaal niet wordt doorgestuurd aan het parket, sluit dit niet uit dat de opsteller ervan dergelijk proces-verbaal op eigen initiatief naar het parket kan sturen, dat het parket dit proces-verbaal zelf kan opvragen of dat het kan leiden tot verder onderzoek en eventueel tot strafrechtelijke vervolging.
Verzoeker betwist niet dat hij kennis heeft gekregen van de inhoud van het vereenvoudigd proces-verbaal door een brief van het parket van de procureur des Konings van 9 september 2013. Vermits ook een vereenvoudigd proces-verbaal een proces-verbaal is, is de bewijskracht van deze brief niet miskend door het bestreden arrest met de overweging dat een proces-verbaal is opgesteld. Het tweede middel is in die mate ongegrond.
De in aanmerking genomen feiten zijn het bezit van drugs te Antwerpen op 22 februari 2012, terwijl als voorwaarde voor de verlenging voor verzoekers verblijf was gesteld dat hij geen nieuwe inbreuken op de openbare orde mocht plegen. Dat de aangehaalde feiten werden vastgesteld in een vereenvoudigd proces-verbaal en dat verzoeker er niet voor werd opgepakt, betekent niet dat deze feiten niet zouden kunnen gelden als bewijs dat verzoeker de openbare orde heeft geschaad en de voor de verlenging van zijn verblijf gestelde voorwaarden niet heeft nageleefd. Vermits de Raad van State als administratieve cassatierechter niet vermag in de beoordeling van de feiten te treden, is hij niet bevoegd in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de redelijkheid of de “legitimiteit” te beoordelen van de aanvankelijk bestreden beslissing in het licht van de feiten waarop deze laatste is gesteund. Verzoeker maakt wat dat betreft dan ook geen schending van artikel 13, § 3, 2°, van de vreemdelingenwet aannemelijk. Het tweede middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond.