Raad van State - 255.939 - 2-03-2023

Samenvatting

Naar luid van artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet worden onder meer als familielid van een burger van de Unie beschouwd “de bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° of 2°, beneden de leeftijd van eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen […]”. Ingevolge het bepaalde in artikel 40ter, § 2, van die wet, zijn deze bepalingen van toepassing op de familieleden van een Belg die niet zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft uitgeoefend voor zover het onder meer betreft “de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen”. De voorwaarde dat de Belg beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen is niet van toepassing indien alleen zijn minderjarige familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, de Belg vergezellen of zich bij hem voegen.
 
Uit het bestreden arrest blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoeker de vader is van een Belgisch kind, dat minder dan 18 jaar was op het ogenblik dat verzoeker de aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend die tot het bestreden arrest heeft geleid. Verder wordt niet betwist dat deze Belgische referentiepersoon zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie niet heeft uitgeoefend. Het betreft dus een zuiver interne situatie, waarop het Unierecht niet van toepassing is. Het is juist dat een richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling aan de orde is, onder meer in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing zijn op grond van de nationale wettelijke regeling waarin ten aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, is gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht.
 
De door verzoeker ingediende aanvraag, die tot de aanvankelijk bestreden beslissing en het bestreden arrest heeft geleid, is gesteund op artikel 40ter van de vreemdelingenwet. Het blijkt geenszins dat bij de wijziging van artikel 40 en volgende van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ werd gekozen voor
dezelfde aanpak voor gezinshereniging van een derdelander met een zgn. “statische” Belg als met een andere Unieburger. Integendeel, er is uitdrukkelijk voor gekozen dat die “Belgen op voet van gelijkheid [worden] geplaatst met de vreemdelingen uit derde landen” en dat “de wet bijgevolg strenger zal worden toegepast ten aanzien van de Belgen dan ten aanzien van de burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie” (Parl. Stukken Kamer, nr. 53/0443-14, 150).
 
Bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht kan verzoeker niet dienstig verwijzen naar de interpretatie van richtlijn 2004/38 en evenmin naar de rechtspraak dienaangaande van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
 
Reeds in zijn arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 heeft het Grondwettelijk Hof gewezen op het verschil tussen de artikelen 40bis (familielid van een Unieburger) en 40ter van de vreemdelingenwet (familielid van een statische Belg):
“B.45.1. Artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 regelt het verblijf op het grondgebied van de familieleden van een Belgische onderdaan. Zoals uiteengezet in B.3.2, beoogt de bestreden wet van 8 juli 2011 het immigratiebeleid inzake gezinshereniging bij te sturen, teneinde de migratiedruk te beheersen en bepaalde misbruiken te ontmoedigen, met eerbied voor het recht op het gezinsleven.
Tevens werd de noodzaak benadrukt om te verzekeren dat de familieleden in menswaardige omstandigheden verblijven. In het licht van die doelstellingen werden ook maatregelen noodzakelijk geacht ten aanzien van de familieleden van een Belg.
De bestreden bepaling past derhalve in het streven van de wetgever naar een ordentelijk immigratiebeleid en streeft een doelstelling na die verschillend is van die welke aan de basis ligt van het Unierecht inzake vrij verkeer.”
 
In zijn arrest nr. 77/2021 van 7 mei 2021 heeft het Grondwettelijk Hof dit nog bevestigd:
“B.4.3. Artikel 40ter, § 2, van de Vreemdelingenwet regelt het verblijf op het grondgebied van de familieleden van een statische Belg. In overeenstemming met de algemene doelstelling van de wet van 8 juli 2011 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging » beoogt die bepaling het immigratiebeleid inzake gezinshereniging bij te sturen, teneinde de migratiedruk te beheersen en bepaalde misbruiken te ontmoedigen, met eerbied voor het recht op het gezinsleven.
Die bepaling past derhalve in het streven van de wetgever naar een ordentelijk immigratiebeleid en streeft een doelstelling na die verschillend is van die welke aan de basis ligt van het Unierecht inzake vrij verkeer.
Aangezien de gevallen van gezinshereniging bedoeld in artikel 40ter, § 2, van de Vreemdelingenwet niet onder het toepassingsgebied van het Europees Unierecht vallen, staat het de wetgever vrij te bepalen of de beslissing over die gezinshereniging al dan niet een declaratieve werking heeft, of in voorkomend geval de modaliteiten van die declaratieve werking te bepalen.”
 
Uit verzoekers kritiek blijkt derhalve geen schending van het gelijkheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel, enkel omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanneemt dat de verwerende partij, wanneer zij na een gebeurlijke vernietiging van de aanvankelijk bestreden beslissing opnieuw moet beslissen over de voormelde aanvraag tot gezinshereniging, de aanvraag moet verwerpen omdat de Belgische referentiepersoon ondertussen meerderjarig is en dit hoewel de referentiepersoon nog minderjarig was op het ogenblik van het indienen van de aanvraag en op het ogenblik dat de verwerende partij een eerste (door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigde) weigeringsbeslissing heeft genomen.
 
Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
 
Verzoeker wijst op de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de invoeging van artikel 40ter in de vreemdelingenwet met de wet van 25 april 2007 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’, waaruit hij afleidt dat het de bedoeling van de wetgever was om de familieleden van Belgische onderdanen gelijk te stellen met en gelijke rechten te geven als de familieleden van Unieburgers.
 
Hij gaat hierbij echter voorbij aan de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’, waarmee, zoals reeds blijkt uit de behandeling van het eerste middelonderdeel supra, werd gekozen voor een strengere aanpak dan voor gezinshereniging met een Unieburger.
 
Wat de artikelen 7.1 en 10.1 van richtlijn 2004/38 en de rechtspraak dienaangaande betreft, dient te worden herhaald dat, zoals reeds vastgesteld bij de behandeling van het eerste middelonderdeel, verzoeker hier niet dienstig naar kan verwijzen bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht.
 
Verzoeker beroept zich in de memorie van wederantwoord voor het eerst op het recht op een effectief rechtsmiddel en op het hoger belang van het kind, doch hij toont niet aan dat hij dit niet eerder in de procedure kon opwerpen. Deze uitbreiding van het middelonderdeel is derhalve niet-ontvankelijk.
 
Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.