Raad van State - 259.251 - 26-03-2024

Samenvatting

Uit de voormelde bepaling blijkt duidelijk dat de bloedverwant in neergaande lijn die ouder is dan 21 jaar ten laste moet zijn van de referentiepersoon en diens echtgenoot of partner.

Niet wordt betwist door verweerder dat het begrip "ten laste" zijn niet wordt gedefinieerd, zodat de verzoekende partij bij de beoordeling van de vraag of voldaan is aan de vereiste van het "ten laste" zijn, over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt en dat zij daarbij vrij oordeelt of de betrokkene het bewijs levert van de voorwaarden tot gezinshereniging.

Te dezen heeft verweerder op grond van artikel 40ter van de vreemdelingenwet een aanvraag tot gezinshereniging ingediend als bloedverwant in neergaande lijn van zijn stiefvader. Deze aanvraag wordt met de aanvankelijk bestreden beslissing geweigerd, enerzijds omdat het inkomen van de Belgische referentiepersoon niet toereikend is en anderzijds omdat verweerder niet aantoont dat hij in zijn land van herkomst of origine ten laste was van de referentiepersoon en evenmin dat hij heden in België ten laste is van de referentiepersoon.

Verweerder betwist deze vaststellingen niet, doch betoogt in zijn memorie van antwoord enkel dat uit niets blijkt en de verzoekende partij niet duidelijk heeft gemaakt dat het motief dat hij op heden werkt en een inkomen heeft een afdoend motief is om zijn aanvraag te weigeren.

Anders dan verweerder meent, blijkt uit artikel 40ter juncto artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet dat één van de voorwaarden om als bloedverwant in neergaande lijn toegelaten te worden tot het verblijf erin bestaat dat de aanvrager die ouder is dan 21 jaar "ten laste" van de referentiepersoon dient te zijn. Deze situatie van afhankelijkheid dient niet alleen te bestaan op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, doch ook op het ogenblik van het nemen van de beslissing omtrent deze aanvraag. Te dezen blijkt en wordt door verweerder niet betwist dat deze laatste op het ogenblik van zijn aanvraag en van de aanvankelijk bestreden beslissing niet ten laste was van de referentiepersoon. Deze vaststelling volstond aldus om zijn aanvraag te weigeren.

In het bestreden arrest wordt, wat de voorwaarde van het "ten laste" zijn betreft, enkel gemotiveerd omtrent de vraag of verweerder al dan niet ten laste van de referentiepersoon was in het land van herkomst en wordt geoordeeld dat de verzoekende partij ten onrechte eist dat verweerder bewijzen van afhankelijkheid ten aanzien van de referentiepersoon in het land van herkomst bijbrengt en dat de verzoekende partij voorbijgaat aan de bewoordingen van artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet waarin bepaald wordt dat de aanvrager "te hunnen laste" moet zijn, met andere woorden ten laste van de Belg en van diens echtgenote of partner. Omtrent het motief in de aanvankelijk bestreden beslissing dat op grond van de voorgelegde loonfiches "ook vastgesteld [dient] te worden dat betrokkene evenmin heden in België ten laste is van de referentiepersoon", motiveert het bestreden arrest niet.