Raad van State - 259.252 - 26-03-2024

Samenvatting

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschouwt het indienen van een nieuwe aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie als een gewijzigde omstandigheid waardoor verzoeker niet langer doet blijken van het vereiste actueel belang. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt zich in wezen op de vaststelling dat de vernietiging van de aanvankelijk bestreden beslissing slechts tot gevolg kan hebben dat de verwerende partij een nieuw standpunt moet innemen over verzoekers verblijfsaanvraag, hetgeen zij hoe dan ook verplicht is omdat zij andermaal door verzoeker werd gevat en zij zich opnieuw over deze aanvraag moet uitspreken.

Verzoeker heeft zijn eerste aanvraag. die heeft geleid tot de aanvankelijk bestreden beslissing en het bestreden arrest. ingediend toen hij minder dan 18 jaar was, terwijl een tweede aanvraag ingediend is toen hij ouder was dan 18 jaar. Dit leeftijdsverschil op het moment van de aanvraag kan, zoals verzoeker opmerkt in zijn tweede middel, vierde onderdeel, van het verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. overeenkomstig artikel 40ter, §2, tweede lid, 1 °, van de vreemdelingenwet ertoe leiden dat de voorwaarden om een verblijfskaart te verkrijgen op grond van zijn eerste aanvraag gunstiger zijn dan op grond van de tweede aanvraag, namelijk dat er voor de eerste aanvraag geen inkomstenvoorwaarde zou gelden.