Raad van State - 259.255 - 26-03-2024

Samenvatting

Het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten wordt gemotiveerd middels verwijzing naar zowel artikel 7, eerste lid, 1 °, als artikel 7, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet. Met betrekking tot het geval bedoeld in artikel 7, eerste lid, 1 °, van de vreemdelingenwet, wordt gemotiveerd dat de betrokkene "niet in het bezit [is] van een geldig paspoort en niet van een geldig visum/verblijfstitel op het moment van zijn arrestatie". Verder worden twee motieven opgegeven waarom geen termijn voor vrijwillig vertrek wordt toegestaan. In de eerste plaats wordt gewezen op een risico op onderduiken omdat de betrokkene "niet [kan] aantonen sede1t wanneer hij in België verblijft en niet blijkt "dat hij zijn verblijf op de wettelijk voorziene manier heeft trachten te regulariseren". Tevens wordt vastgesteld dat de betrokkene zich "niet [heeft] aangemeld bij de gemeente binnen de door artikel 5 van de wet van 15/12/1980 bepaalde termijn" en "geen bewijs [leve1t] dat hij op hotel logeert". In de tweede plaats wordt verwezen naar de betrapping op heterdaad voor het toedienen van slagen en verwondingen.

In het bestreden arrest stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten berust op "de vaststelling dat de verzoeker door zijn gedrag geacht wordt de openbare orde of de nationale veiligheid te kunnen schaden". Daarbij stelt deze Raad vast dat de vaststelling dat de verzoeker op heterdaad betrapt is voor het toedienen van slagen en verwondingen "niet bevestigd, noch ontkracht kan worden op grond van de stukken van het administratief dossier", zodat hij "niet [kan] vaststellen dat de verweerder op basis van een correcte en zorgvuldige feitenvinding is gekomen tot haar vaststelling dat de verzoeker, "gezien de aard van deze feiten", door zijn gedrag geacht wordt de openbare orde te kunnen schaden". Bijgevolg besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht. Voorts wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er "ten overvloede nog op dat het hem niet toekomt om zich in de plaats van het bevoegde bestuur te stellen om te oordelen of de verweerder nog steeds zou hebben besloten tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten zonder termijn voor vrijwillig vertrek en tot het opleggen van een inreisverbod van drie jaar, indien abstractie wordt gemaakt van het motief dat de verzoeker door zijn gedrag geacht wordt de openbare orde of de nationale veiligheid te kunnen schaden".

Door aldus te oordelen miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vooreerst het gegeven dat het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten niet enkel berust op "de vaststelling dat de verzoeker door zijn gedrag geacht wordt de openbare orde of de nationale veiligheid te kunnen schaden", maar ook op het zelfstandige motief dat de betrokkene "niet in het bezit [was] van een geldig paspoort en niet van een geldig visum/verblijfstitel op het moment van zijn arrestatie". Hij gaat er tevens aan voorbij dat, indien abstractie wordt gemaakt van het motief dat huidige verweerder door zijn gedrag geacht wordt de openbare orde of de nationale veiligheid te kunnen schaden, de minister of diens gemachtigde, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, 1 °, van de vreemdelingenwet slechts beschikt over de gebonden bevoegdheid om een bevel om het grondgebied te verlaten af te leveren, gelet op het niet weerlegde motief dat de betrokkene "niet in het bezit [was] van een geldig paspoort en niet van een geldig visum/verblijfstitel op het moment van zijn arrestatie". Wat het bevel om het grondgebied te verlaten betreft, blijkt derhalve dat de in het bestreden arrest vastgestelde onwettigheid betrekking heeft op een overtollig motief van het aanvankelijk bestreden besluit.

Omtrent de keuze om geen enkele termijn toe te staan om het grondgebied te verlaten, wordt erop gewezen dat luidens artikel 74/14 van de vreemdelingenwet kan worden afgeweken van de termijn van dertig dagen, onder meer, indien er een risico op onderduiken bestaat. De in artikel 74/14, § 3, bepaalde gevallen waarin van de termijn van dertig dagen kan worden afgeweken, zijn niet cumulatief van aard. Voor het bestuur volstaat het met andere woorden, om te kunnen beslissen om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen, dat één van de in artikel 74/14, § 3, bepaalde gevallen van toepassing is. Elk aldaar opgesomd geval levert derhalve een zelfstandige rechtsgrond op basis waarvan de minister of diens gemachtigde kan beslissen om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te staan.

In het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eraan voorbij dat, indien abstractie wordt gemaakt van het motief dat verweerder door zijn gedrag geacht wordt de openbare orde of de nationale veiligheid te kunnen schaden, er in de aanvankelijk bestreden beslissing nog steeds een zelfstandige motivering overblijft, namelijk met betrekking tot het risico op onderduiken, die op zich kan volstaan om de beslissing om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te staan, te onderbouwen. In het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingen betwistingen er dan ook ten onrechte van uit dat hij "zich in de plaats van het bevoegde bestuur [zou moeten] stellen om te oordelen of de verweerder nog steeds zou hebben besloten tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten zonder termijn voor vrijwillig vertrek [ ... ] indien abstractie wordt gemaakt van het motief dat de verzoeker door zijn gedrag geacht wordt de openbare orde of de nationale veiligheid te kunnen schaden". Aldus miskent hij met name de zelfstandigheid van de onderscheiden toepasselijke rechtsgronden.