Raad van State - 260.141 - 17-06-2024

Samenvatting

Verzoeker verwijst voornamelijk naar vier arresten van het EHRM, waaruit hij een schending van artikel 3 van het EVRM in het bestreden arrest afleidt.

Het arrest van het EHRM van 9 maart 2010 in de zaak 41827/07, R.C. tegen Zweden, heeft betrekking op medische bewijsstukken die een asielrelaas bevestigen dat over het algemeen consistent was, niettegenstaande enkele onzekere aspecten die echter niet de algemene geloofwaardigheid van dat relaas ondermijnen.

In het bestreden arrest daarentegen wordt erop gewezen dat de medische attesten reeds werden beoordeeld in arrest nr. 237.160 van 18 juni 2020.

Daarna citeert het bestreden arrest uitvoerig uit dat arrest. Daarin wordt onder meer gesteld dat het "gegeven dat u tijdens uw vorige [vijf] verzoeken louter bij komende verklaringen aanhaalde die volledig in het verlengde liggen van iets dat op geen enkele wijze als aangetoond wordt beschouwd, [ ... ] verder afbreuk [doet] aan uw algehele geloofwaardigheid. U hebt immers geen enkele keer concreet weerlegd waarom het CGVS niet juist zou zijn in de vaststelling dat uw L TTE profiel volledig ongeloofwaardig is." Reeds hieruit blijkt dat volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan in het voornoemde arrest van het EHRM van 9 maart 2010 het geval is, te dezen geen sprake is van een consistent en over het algemeen geloofwaardig asielrelaas.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeelt verder de inhoud van de medische attesten betreffende verzoeker en wijst erop dat in arrest nr. 23 7 .160 werd vastgesteld dat "nergens in de door verzoeker voorgelegde medische attesten wordt gesteld dat verzoeker te lijden heeft van posttraumatisch stresssyndroom. Bovendien dient erop gewezen te worden dat in het attest van 22 juli 2017 wordt gesteld dat verzoekers mentale problemen van recente datum zijn. [ ... ] Deze kwaadheid is hem niet eigen, het is een recente emotie [ ... ] zodat bezwaarlijk kan worden aangenomen dat verzoekers voorgehouden mentale gezondheidstoestand een verschoning zou kunnen vormen voor de vaststellingen die in het kader van zijn voorgaande verzoeken om internationale bescherming werden gemaakt inzake zijn verklaringen." Ten slotte merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat "hij niet in concreto aannemelijk [maakt] dat de door hem opgelopen littekens daadwerkelijk het gevolg zijn van foltering."

Op grond van de voormelde feitelijke beoordeling, die tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de eerste rechter behoort, vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder schending van artikel 3 van het EVRM te oordelen dat verzoeker geen elementen aanbrengt die een ander licht werpen op zijn verzoek om internationale bescherming.

Het arrest van het EHRM van 5 september 2013 in de zaak 61204/09, I. tegen Zweden, betreft een geval waarin de met medische stukken bewezen littekens van een verzoeker om internationale bescherming onbetwist het gevolg zijn van foltering en waarin wordt ingegaan op de inschatting van het risico dat bij een terugkeer naar het land van herkomst opnieuw een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM zal plaatsvinden. Zoals blijkt uit randnummer 7 supra wordt in het bestreden arrest duidelijk aangegeven dat en waarom het asielrelaas ongeloofwaardig wordt geacht en de medische attesten dus geen elementen vormen die de kans aanzienlijk groter maken op erkenning als vluchteling of toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus.
Het EHRM acht in zijn arrest van 19 september 2013 in de zaak nr. 10499/11, R.J. tegen Frankrijk, onvoldoende de motivering in een vonnis dat een medisch attest het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de medische vaststellingen en de verklaringen van een verzoeker niet rechtvaardigt. Het EHRM verwijst naar het recente en ernstige karakter van de verwondingen die op gedetailleerde wijze zijn weergegeven in het medisch attest van R.J. en die overeenstemmen met het asielrelaas. Het EHRM is in die zaak van oordeel dat de sterke vermoedens over de oorsprong van de verwondingen van de betrokkene niet worden weggenomen door zich in het desbetreffende vonnis enkel te beroepen op het onvolledige karakter ("caractère lacunaire") van het asielrelaas. Anders dan in de voornoemde zaak, wordt het asielrelaas met het bestreden arrest niet onvolledig doch ongeloofwaardig bevonden en dit op grond van door verzoeker eerder afgelegde verklaringen.

In zijn arrest van 23 augustus 2016 in de zaak 59166/12, J.K. tegen Zweden, beschouwt het EHRM mishandeling in het verleden als een sterke indicatie voor een toekomstig reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM wanneer een verzoeker een algemeen coherent en geloofwaardig relaas van de gebeurtenissen heeft gedaan dat overeenstemt met informatie uit betrouwbare en objectieve bronnen over de toestand van het betrokken land. Volgens het EHRM staat het in dergelijke omstandigheden aan de overheid om elke twijfel over dat risico weg te nemen. Anders dan de situatie waarop het voormelde arrest van het EHRM betrekking heeft, verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest integendeel naar een ongeloofwaardig bevonden asielrelaas.

Verzoeker toont met de verwijzing naar de in de voormelde rechtspraak door het EHRM vastgelegde principes derhalve geen schending aan van artikel 3 van het EVRM in de huidige zaak.