Samenvatting
Zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 1 D van het Verdrag van Genève, hangt de mogelijkheid voor vreemdelingen om gebruik te maken van de door die bepaling ingestelde regeling niet zozeer af van hun inschrijving bij het UNRWA, als wel van het feit dat zij daadwerkelijk de bescherming of bijstand van dit agentschap genieten of, zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verklaard, dat zij “het bewijs leveren dat zij daadwerkelijk een beroep hebben gedaan op de bescherming of bijstand van het UNRWA en dat deze bescherming of bijstand is opgehouden te bestaan” (arrest van 20 mei 2022), zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verklaard, dat zij “het bewijs leveren dat zij daadwerkelijk een beroep hebben gedaan op de bescherming of bijstand van het UNRWA en dat deze bescherming of bijstand is beëindigd” (arrest van 3 mei 2022, Secretary of State for the Home Department (Refugee status of a stateless person of Palestinian origin), C-349/20, (ECLI: EU:C:2022:151, punt 65). Hieruit volgt dat twee elementen moeten worden vastgesteld: het feit dat een beroep is gedaan op de bescherming of bijstand van het UNRWA en het feit dat deze bescherming of bijstand is beëindigd.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat het bezit van een inschrijvingscertificaat bij het UNRWA voldoende bewijs vormt van de verlening van zijn bijstand, maar dat het evenwel geen onweerlegbaar vermoeden is dat de betrokkene die bijstand daadwerkelijk van het UNRWA heeft gevraagd en gekregen. Het enkele bezit van een dergelijk certificaat vormt dus geen onweerlegbaar bewijs dat de betrokkene daadwerkelijk bijstand en bescherming van het UNRWA heeft ontvangen. Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie voldoende duidelijk dat is vereist dat de betrokkene daadwerkelijk een beroep heeft gedaan op die bijstand [in die zin: arrest van 13 januari 2021, Bundesrepublik Deutschland (vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst), C-507/19, ECLI:EU:C:2021:3, punt 51; arrest van 3 mei 2022, Secretary of State for the Home Department (vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst), reeds aangehaald, punt 65].
Deze conclusie volgt, anders dan de eerste rechter besliste, reeds uit eerdere arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en met name uit het arrest van 17 juni 2010 in zaak C-31/09, B. (ECLI:EU:C:2010:351), waarin het Hof als volgt oordeelde:
(…)
Uit dit arrest volgt dat de bijstand van het UNRWA daadwerkelijk moet zijn gebruikt om binnen de werkingssfeer van artikel 1 D van het Verdrag van Genève te vallen. Anders dan de eerste rechter heeft geoordeeld, heeft het Hof van Justitie niet beslist dat een certificaat van registratie bij het UNRWA op zich een onweerlegbaar bewijs vormt dat daadwerkelijk gebruik is gemaakt van de bijstand of bescherming van het UNRWA. Het Hof van Justitie merkt enkel op dat de inschrijving bij het UNRWA voldoende bewijs vormt van het feit dat daadwerkelijk een beroep is gedaan op bijstand van het UNRWA. Het Hof sluit echter niet uit dat dit voldoende bewijs kan worden weerlegd.
Dit blijkt ook uit het arrest van 19 december 2012 in zaak C-364/11, E. K. (ECLI:EU:C:2012:826), waarin het Hof eveneens oordeelde:
(…)
Het Hof heeft uitdrukkelijk in dezelfde zin geoordeeld in zijn arrest van 25 juli 2018 in zaak C-585/16 A. (ECLI:EU:C:2018:584):
(…)
Hieruit volgt dat, ook al is verzoeker ingeschreven bij de UNRWA, ook moet worden onderzocht of hij daadwerkelijk bescherming of bijstand van die organisatie ontvangt.
Verzoekende partij betoogt dan ook terecht dat het bestreden arrest in strijd is met artikel 1, onderdeel D, van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen en met artikel 55/2 van de wet van 15 december 1980, voornoemd, aangezien de eerste rechter heeft beslist dat de wederpartij zich kon beroepen op het door die bepalingen ingestelde regime, louter omdat zij een bewijs van registratie bij het UNRWA had overgelegd.
Het middel is dus gegrond.