Raad van State - 263.448 - 27-05-2025

Samenvatting

In het arrest F.B. tegen België van 6 maart 2025 geeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan dat het besluitvormingsproces dat leidde tot het stopzetten van de opvang van een vreemdeling als niet-begeleide minderjarige onvoldoende waarborgen bood. Om tot deze conclusie te komen, baseert het Hof zich op de volgende punten:

- De betrokkene dient volledig geïnformeerd te worden over zijn rechten bij het uitvoeren van de bottest, en het verstrekken van deze informatie is extra belangrijk wanneer, zoals in dit geval, de persoon nog steeds wordt beschouwd als niet-begeleide minderjarige en internationale bescherming aanvraagt, zonder bijstand van een vertegenwoordiger of raadsman tijdens de leeftijdsbeoordeling (punt 88). Het Hof benadrukt dat de persoon op de hoogte moet zijn van de noodzaak van toestemming voor de bottest. Het stelt vast dat dit in het voorliggend geval niet is gebeurd;

- Gezien de invasieve aard van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling vindt het Hof dat deze onderzoeken alleen als laatste middel ingezet mogen worden wanneer andere methoden om de leeftijd te verifiëren geen doorslaggevende resultaten opleveren. Het Hof is van mening dat een voorafgaand gesprek met een speciaal opgeleide medewerker voor de opvang van minderjarigen, indien nodig, "enerzijds kan helpen vaststellen of de twijfel over de minderjarigheid op minder ingrijpende wijze kan worden weggenomen, en anderzijds de professional in staat stelt te controleren of de persoon alle benodigde informatie heeft ontvangen om zijn rechten effectief te kunnen uitoefenen".

Uit dit arrest volgt dat, om de waarborgen van artikel 8 van het Verdrag te respecteren, het bestuursorgaan bij de besluitvorming rond voogdij voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen moet nagaan of de twijfel over de minderjarigheid kan worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een bottest, die slechts als laatste optie gebruikt mag worden, bijvoorbeeld via een gesprek met een gekwalificeerde professional. Indien zo'n test toch noodzakelijk is, moet de betrokkene volledig geïnformeerd worden over zijn rechten rondom deze test en vooral over de noodzaak van zijn toestemming.

In dit geval kan men op het eerste gezicht aannemen dat het gesprek op 15 januari 2025, gezien de door de tegenpartij aangeleverde gegevens, is gevoerd door een deskundige die speciaal is opgeleid voor de opvang van minderjarigen; uit de inhoud van het bij deze gelegenheid opgestelde verslag blijkt niet direct dat deze medewerker tijdens het gesprek heeft onderzocht of de twijfel over de minderjarigheid op minder ingrijpende wijze dan via een botonderzoek kon worden weggenomen. Daarnaast bevat het administratieve dossier geen enkel bewijs dat de tegenpartij zo’n onderzoek heeft uitgevoerd. Het feit dat de betrokkene geen documenten heeft overlegd ter ondersteuning van de bewering minderjarig te zijn, ontslaat de tegenpartij niet van de verplichting na te gaan of de twijfel over de minderjarigheid op een minder ingrijpende manier dan een botonderzoek kan worden weggenomen. Het ontbreken van documenten kan bovendien als een element worden meegewogen in dit onderzoek.

Wat betreft de toestemming voor het botonderzoek blijkt uit geen van de door de tegenpartij overgelegde stukken dat de verzoekende partij op de juiste wijze is geïnformeerd over haar rechten, in het bijzonder over het belang van haar instemming. In het verslag van het gesprek op 15 januari 2025 staat hooguit dat de verzoekende partij op de hoogte is gesteld van de geuite twijfel, het document over de gang van zaken rond de leeftijdstest heeft ontvangen, akkoord is gegaan met de geuite twijfel en geen bezwaar heeft gemaakt tegen het onderzoek. Echter, in het verslag wordt niet vermeld dat de verzoekende partij is geïnformeerd over de noodzaak van haar toestemming voor het medische onderzoek. Geen enkel stuk toont aan dat deze informatie haar op correcte wijze is meegedeeld.

Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat het besluitvormingsproces dat tot de bestreden beslissing heeft geleid, niet met voldoende waarborgen was omgeven om te voldoen aan de eisen van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en dat het enige aangevoerde middel dan ook als serieus moet worden beschouwd.