Raad van State - 6.463 - 27-01-2011

Samenvatting

De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek hebben bettelling op het bewijs van de verbintenissen en van de betaling en kunnen dan ook niet dienstig worden aangevoerd in een procedure betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het eerste middel is in die mate kennelijk niet••ontvankelijk. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluiten om geen bewijswaarde toe te kennen aan het neergelegde paspoort zonder dat hij dit stuk van valsheid diende te betichten. De beoordeling van de authenticiteit en de bewijskracht van neergelegde stukken behoort immers tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor VJeemdelingenbetwistingen, die in een beroep tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over de volle rechtsmacht beschikt Het komt niet aan de Raad van State als administratieve cassatierechter toe om die beoordeling opnieuw te doen" Het eerste middel is ook in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.