Samenvatting
De Raad van State heeft op 20 november 2024 uitspraak gedaan in een zaak van een Afghaanse asielzoeker die zijn verblijf in Nederland wilde verlengen na eerdere afwijzingen. De vreemdeling heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij stelt in 2011 Afghanistan te hebben verlaten. Sinds 2015 verblijft hij in Nederland. Hij heeft eerder asielaanvragen ingediend, die allemaal zijn afgewezen. Aan zijn huidige, zesde, asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat de Taliban inmiddels de macht hebben overgenomen en dat hij vreest voor de gevolgen bij terugkeer, omdat hij voor een bouwbedrijf heeft gewerkt dat banden had met Amerikaanse bedrijven. De minister heeft de werkzaamheden van de vreemdeling geloofwaardig geacht, maar heeft niet geloofwaardig geacht dat de vreemdeling in Afghanistan problemen met de Taliban heeft ondervonden.
De rechtbank heeft allereerst overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheid dat de vreemdeling als bewaker voor een bouwbedrijf heeft gewerkt dat banden met de Amerikanen had, nog niet maakt dat hij behoort tot een groep waarvoor wordt aangenomen dat er sprake is van groepsvervolging of van een risicogroep. Ook heeft de minister zich volgens de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer wegens die werkzaamheden problemen zal ondervinden, omdat hij die meer dan tien jaar geleden heeft verricht. De door de vreemdeling overgelegde brief van het bouwbedrijf van 4 januari 2023 maakt dat volgens de rechtbank niet anders, omdat daaruit niet duidelijk wordt welke band er bestond tussen het bouwbedrijf en de Amerikanen en omdat deze band slechts bestond tussen 2010 en 2014. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn werkzaamheden bij terugkeer nog altijd in de negatieve belangstelling van de Taliban zal staan. Alleen het vertrek uit Afghanistan is geen reden waarom iemand doelwit werd van de Taliban, de reden voor problemen is gelegen in problemen die iemand al voor vertrek met hen had. Alleen de stelling van de vreemdeling dat hij als verdacht zal worden gezien en de Taliban mogelijk zullen aannemen dat hij verwesterd is, maakt dat niet anders, omdat de minister de problemen met de Taliban die hij voor zijn vertrek stelde te hebben gehad ongeloofwaardig heeft mogen vinden.
In hoger beroep betoogt de vreemdeling dat hij wegens zijn werkzaamheden bij een bouwbedrijf dat samen heeft gewerkt met de Amerikanen, bij terugkeer doelwit zal zijn van de Taliban. Volgens de vreemdeling volgt uit informatie uit openbare bronnen dat medewerkers van bedrijven in de bouwsector risico lopen van de kant van de Taliban. Hij betoogt dat hij dit met de brief van zijn werkgever van 4 januari 2023 voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verder betoogt de vreemdeling dat hij vanwege zijn lange verblijf in het Westen zal worden gezien als iemand die de waarden en uiterlijkheden heeft aangenomen die geassocieerd worden met westerse landen. Hij betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat in het Algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Afghanistan van maart 2022 is vermeld dat Afghanen die in het Westen hebben verbleven, worden verdacht van het niet naleven van islamitische normen en dat in conservatieve kringen elk contact met het Westen verdacht is.
Verder stelt hij dat er sinds de machtsovername door de Taliban nauwelijks Afghanen uit het Westen zijn teruggekeerd. Hij stelt dat uit openbare bronnen blijkt dat er geen volledig beeld is van de veiligheidssituatie in Afghanistan voor terugkeerders uit het Westen. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij, ondanks zijn lange verblijf in het Westen, geen problemen met de Taliban zal krijgen bij terugkeer.
Daarnaast wijst hij er subsidiair op dat, als moet worden aangenomen dat alleen terugkeer uit het Westen onvoldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen, er goed moet worden gekeken naar de risicoverhogende factoren bij de individuele beoordeling van dat risico, zoals herkomstgebied, etniciteit, arbeidsverleden en verblijfsduur in het Westen.
De Afdeling stelt dat uit artikel 31 van de Vw 2000 volgt dat de minister de beoordeling van het reële risico op ernstige schade moet verrichten aan de hand van de persoonlijke kenmerken van een vreemdeling, diens individuele omstandigheden en wat een vreemdeling verder heeft aangevoerd. Die omstandigheden moeten worden bezien tegen de achtergrond van de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst. Het is aan een vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij op individuele gronden in aanmerking komt voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.
Eerste behandelen ze de vraag of Afghanen die in het Westen verbleven hebben, bij terugkeer naar Afghanistan als groep een reëel risico op ernstige schade lopen, omdat zij systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen.
Uit de openbare bronnen volgt dat er weinig informatie is over de situatie van Afghanen die na de machtsovername door de Taliban vanuit westerse landen naar Afghanistan zijn teruggekeerd. De informatie die er wel is, laat een diffuus beeld zien. De Taliban lijken volgens sommige bronnen coulant te zijn tegenover terugkeerders, maar zien zij anderzijds Afghanen die vanwege de machtsovername zijn vertrokken, als verraders. Verder bestaat onder de Taliban het beeld dat Afghanen die in het Westen hebben verbleven, westerse normen en waarden hebben overgenomen en de islamitische normen niet hebben nageleefd. aar andere bronnen melden dat er geen directe relatie is tussen problemen bij terugkeer en het verblijf in het Westen. Ook zijn er sinds de machtsovername vanuit westerse landen geen Afghanen gedwongen uitgezet en is het maar de vraag of de Taliban altijd op de hoogte zijn van Afghanen die vrijwillig uit het Westen terugkeren. Hoewel de informatie uit de openbare bronnen niet eenduidig is, kan daaruit wel worden afgeleid dat vreemdelingen bij terugkeer naar Afghanistan vanwege hun verblijf in het Westen in de negatieve belangstelling van de Taliban, familieleden of dorpsgenoten kunnen komen te staan.
Dat Afghanen die uit westerse landen terugkeren, in de negatieve belangstelling kunnen staan, is onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Bij een reëel risico op ernstige schade moet hgaan om een onmenselijke of vernederende behandeling van een zekere ernst, waarna, om een groepsrisico aan te nemen, die behandeling ook een systematisch karakter moeten hebben. De Afdeling is van oordeel dat de beschikbare informatie uit de openbare bronnen geen aanknopingspunten bevat dat uit westerse landen teruggekeerde Afghanen, alleen al wegens verblijf in het Westen, systematisch aan een vernederende of onmenselijke behandeling van een zekere ernst worden blootgesteld. Het is dus, gelet op artikel 31 van de Vw 2000, aan de vreemdeling die terugkeert vanuit het Westen om met individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom hij in de aandacht van de Taliban staat en dat die aandacht kan leiden tot een behandeling in strijd met artikel 15, onderdeel b, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 4 van het EU Handvest. Het betoog van de vreemdeling dat hij alleen al door zijn verblijf in het Westen een reëel risico op ernstige schade loopt, faalt daarom.
Verder betoogt de vreemdeling dat hij wegens zijn werkzaamheden voor een bouwbedrijf dat heeft samengewerkt met Amerikanen, doelwit zal zijn van de Taliban en dat hij bij terugkeer naar Afghanistan zal opvallen, omdat hij na lange tijd terugkeert. Hij zal door zijn verblijf in het Westen worden verdacht van het niet naleven van islamitische normen. De vreemdeling heeft aangevoerd dat deze omstandigheden in onderlinge samenhang hadden moeten worden beoordeeld.
De Afdeling stelt dat de minister bij zijn beoordeling of een vreemdeling dat aannemelijk heeft gemaakt alle relevante individuele factoren die een vreemdeling heeft aangedragen, in onderlinge samenhang moet bezien. Daartoe behoort ook de factor dat een vreemdeling in het Westen heeft verbleven. Het verblijf in het Westen zou er, in combinatie met andere individuele factoren en afhankelijk van de aangeleverde informatie uit algemene bronnen over de problemen die kunnen ontstaan, toe kunnen leiden dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat.
De stelling van de vreemdeling dat hij vanwege toegedichte verwestering en afvalligheid bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Daartoe overweegt de Afdeling dat de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft vermeld dat hij nog belijdend moslim is, maar de islam liberaler uitlegt, en dat hij ter zitting bij de Afdeling heeft verklaard dat hij niet verwesterd is.
De vreemdeling betoogt evenwel terecht dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij wegens zijn werkzaamheden voor het bouwbedrijf doelwit van de Taliban kan zijn. De minister heeft die werkzaamheden immers geloofwaardig gevonden, evenals de omstandigheid dat het bouwbedrijf banden had met de Amerikanen. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat uit de brief van de werkgever van de vreemdeling van 3 februari 2023 niet duidelijk wordt welke band er bestond tussen het bouwbedrijf en de Amerikanen. Maar de rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de brief vermeldt dat het bouwbedrijf tussen 2010 en 2014 banden met de Amerikanen had en dat medewerkers door de Taliban werden bedreigd, dat de meeste medewerkers daarom uit Afghanistan zijn gevlucht en dat de minister over deze brief geen standpunt heeft ingenomen. De vreemdeling heeft daarnaast aangevoerd dat het door zijn lange verblijf in het Westen zal opvallen als hij terugkeert naar zijn dorp en dat dit mogelijk de aandacht op hem vestigt. De rechtbank is er ook aan voorbijgegaan dat de minister niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld of de vreemdeling door zijn eerdere werkzaamheden, die gelet op de brief door de Taliban problematisch werden gevonden, in combinatie met de omstandigheden dat de Taliban inmiddels aan de macht zijn en de vreemdeling kan opvallen door zijn terugkeer uit het Westen, een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft het besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb dan ook ondeugdelijk gemotiveerd.
Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 20 december 2022 wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit op de asielaanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden.