Raad van State (Nederland) - 202401462/1/V2 - 20-11-2024

Samenvatting

Op 20 november 2024 deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in een zaak van een Afghaanse vreemdeling die asiel had aangevraagd in Nederland. De vreemdeling is geboren in 2007 en hij heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij stelt Afghanistan in de zomer van 2021, voor de machtsovername door de Taliban, te hebben verlaten. Eind augustus 2021 hebben de Taliban de macht overgenomen. De vreemdeling heeft aan zijn op 3 december 2022 ingediende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij door de Taliban werd bedreigd, omdat zijn vader werkzaam was voor een bedrijf dat brandstof leverde aan landen die lid zijn van de NAVO. De minister heeft het asielrelaas ongeloofwaardig geacht.

De rechtbank heeft overwogen dat de minister de werkzaamheden van de vader van de vreemdeling en de daardoor ondervonden bedreigingen door de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden.

Het is volgens de rechtbank onduidelijk ofvan uit het Westen terugkerende Afghaanse asielzoekers vanwege hun verblijf in het Westen problemen met de Taliban hebben ondervonden of zullen ondervinden. Het ontbreken van deze informatie rechtvaardigt volgens de rechtbank niet, of althans niet zonder meer, de conclusie dat die problemen zich bij terugkeer naar Afghanistan niet zullen voordoen. Uit de wel beschikbare landeninformatie blijkt namelijk dat uit Europa teruggekeerde Afghanen in de negatieve aandacht kunnen staan van de Taliban. Die aandacht bestond ook al voor de machtsovername in 2021.

De minister beschikt volgens de rechtbank echter over onvoldoende informatie over de mate waarin dat bij terugkeer daadwerkelijk tot problemen met de Taliban leidt, en zo ja, welke problemen dat zijn. Wegens die onduidelijkheid had de minister zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt mogen stellen dat de vreemdeling als uit Europa terugkerende Afghaan bij terugkeer geen risico op ernstige schade zal lopen.

De minister betoogt in hoger beroep dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij niet uitsluitend heeft verwezen naar het destijds geldende asielbeleid voor Afghanistan, waarin Afghanen die in het Westen hebben verbleven niet werden aangemerkt als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep, maar dat hij ook uitvoerig heeft gemotiveerd dat er geen individuele factoren zijn op grond waarvan de vreemdeling bij terugkeer te vrezen zou hebben voor ernstige schade. Door alleen openbare landeninformatie te vermelden waaruit blijkt dat sommige terugkeerders in Afghanistan problemen ondervinden, gaat de rechtbank eraan voorbij dat de bewijslast bij de vreemdeling ligt.

Volgens de minister blijkt uit openbare landeninformatie niet dat die terugkeerders op grote schaal problemen ondervinden. Uit de beschikbare landeninformatie blijkt dat alleen personen die eerder problemen met de Taliban hebben ondervonden, die ook bij terugkeer hebben, maar dat geldt niet voor de vreemdeling, omdat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Er bestond dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te verrichten naar de situatie van uit het Westen teruggekeerde Afghanen.

Uit artikel 31 van de Vw 2000 volgt dat de minister de beoordeling van het reële risico op ernstige schade moet verrichten aan de hand van de persoonlijke kenmerken van een vreemdeling, diens individuele omstandigheden en wat een vreemdeling verder heeft aangevoerd. Die omstandigheden moeten worden bezien tegen de achtergrond van de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst. Het is aan een vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij op individuele gronden in aanmerking komt voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

De Afdeling zal eerst de vraag beantwoorden of Afghanen die in het Westen verbleven hebben bij terugkeer naar Afghanistan als groep een reëel risico op ernstige schade lopen, omdat zij systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen.
Uit de openbare bronnen volgt dat er weinig informatie is over de situatie van Afghanen die na de machtsovername door de Taliban vanuit westerse landen naar Afghanistan zijn teruggekeerd. De informatie die er wel is, laat een diffuus beeld zien. De Taliban lijken volgens sommige bronnen coulant te zijn tegenover terugkeerders, maar zien zij anderzijds Afghanen die vanwege de machtsovername zijn vertrokken, als verraders. Verder bestaat onder de Taliban het beeld dat Afghanen die in het Westen hebben verbleven, westerse normen en waarden hebben overgenomen en de islamitische normen niet hebben nageleefd. aar andere bronnen melden dat er geen directe relatie is tussen problemen bij terugkeer en het verblijf in het Westen. Ook zijn er sinds de machtsovername vanuit westerse landen geen Afghanen gedwongen uitgezet en is het maar de vraag of de Taliban altijd op de hoogte zijn van Afghanen die vrijwillig uit het Westen terugkeren. Hoewel de informatie uit de openbare bronnen niet eenduidig is, kan daaruit wel worden afgeleid dat vreemdelingen bij terugkeer naar Afghanistan vanwege hun verblijf in het Westen in de negatieve belangstelling van de Taliban, familieleden of dorpsgenoten kunnen komen te staan. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat uit het Westen terugkerende Afghanen in de negatieve belangstelling kunnen staan.

Dat Afghanen die uit westerse landen terugkeren, in de negatieve belangstelling kunnen staan, is onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Bij een reëel risico op ernstige schade moet hgaan om een onmenselijke of vernederende behandeling van een zekere ernst, waarna, om een groepsrisico aan te nemen, die behandeling ook een systematisch karakter moeten hebben. Volgens de rechtbank beschikt de minister over onvoldoende informatie over de mate waarin die negatieve belangstelling daadwerkelijk tot problemen leidt, en zo ja, welke. Maar de Afdeling volgt dit niet. De wel beschikbare informatie uit de openbare bronnen bevat namelijk geen aanknopingspunten dat uit westerse landen teruggekeerde Afghanen, alleen al wegens verblijf in een westers land, systematisch aan een vernederende of onmenselijke behandeling van een zekere ernst worden blootgesteld. Het algemene beeld dat daaruit naar voren komt, is dat het risico op een vernederende of onmenselijke behandeling vooral samenhangt met de reden van vertrek uit Afghanistan, het profiel van de teruggekeerde Afghaan zelf en het bestaan van vetes en persoonlijke conflicten.

Op basis van het voorgaande komt de Afdeling tot de conclusie dat uit de informatie uit de openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Er bestond, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding voor de minister om nader onderzoek te doen naar de terugkeerrisico’s van de groep Afghanen die uit westerse landen terugkeren. Het is, gelet op artikel 31 van de Vw 2000, aan een vreemdeling die terugkeert vanuit het Westen om met individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom hij in de aandacht van de Taliban staat en dat die aandacht kan leiden tot een behandeling in strijd met artikel 15, onderdeel b, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 4 van het EU Handvest. De grief slaagt.

Het hoger beroep van de minister is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

De vreemdeling betoogt in beroep dat de minister in het besluit van 25 juli 2023 onvoldoende oog heeft gehad voor het feit dat hij in Europa asiel heeft aangevraagd omdat hij problemen had met de Taliban, en dat hij zal moeten terugkeren naar Afghanistan waar de Taliban inmiddels de macht hebben overgenomen. In zijn aanvullende gronden van 30 november 2023 betoogt de vreemdeling dat hij sinds zijn verblijf in Nederland zijn geloof anders is gaan praktiseren en minder vaak per dag bidt, dat hij dat bij terugkeer graag op deze wijze zou willen blijven doen, maar dat hij dan als afvallige zal worden gezien, ook wegens zijn terugkeer uit het Westen.

Het verblijf in het Westen zou er, in combinatie met andere individuele factoren en afhankelijk van de aangeleverde informatie uit algemene bronnen over de problemen die kunnen ontstaan, toe kunnen leiden dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat.

De minister heeft zich in het besluit van 25 juli 2023 op het standpunt gesteld dat de informatie uit passages uit openbare bronnen waarop de vreemdeling zich in de zienswijze beroept om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer uit het Westen een reëel risico op ernstige schade loopt, niets verandert aan het huidige landgebonden beleid voor Afghanistan. Dat de vreemdeling uit Afghanistan komt, is volgens dat beleid onvoldoende om bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Ook behoort de vreemdeling volgens de minister niet tot een kwetsbare minderheidsgroep en is er geen andere reden om aan te nemen dat hij risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan.

De minister heeft in het aanvullend verweerschrift in beroep van 8 december 2023 uiteengezet dat de stelling van de vreemdeling dat hij minder frequent bidt, onvoldoende is om dit anders te maken. Ook blijkt uit wat hij heeft verklaard niet dat zijn familie of omgeving op de hoogte is van zijn nieuwe manier van geloof belijden. Van de vreemdeling mag volgens de minister worden verwacht dat hij zich bij terugkeer aanpast aan de gedragsregels. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat uit openbare bronnen niet blijkt dat alleen het verblijf van enige jaren in Europa zal leiden tot de beschuldiging van verwestering of afvalligheid. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat de problemen met de Taliban vanwege het werk van de vader ongeloofwaardig zijn en dat daarom geen sprake is van een persoonlijk dispuut of vendetta die tot problemen zou kunnen leiden. Volgens de minister is er bij de vreemdeling geen individuele factor aanwezig waarover openbare landeninformatie onduidelijk is. Alleen terugkeer uit het Westen is een onvoldoende onderscheidende factor.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Hoewel de minister zich in het besluit van 25 juli 2023 alleen maar op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet viel onder het destijds geldende landenbeleid en daarmee het terugkeerrisico van de vreemdeling niet individueel heeft beoordeeld, is dat geen reden het besluit te vernietigen. De minister heeft ongeloofwaardig mogen vinden dat de vreemdeling problemen had met de Taliban. De vreemdeling heeft verder alleen maar gesteld dat hij bij terugkeer uit het Westen risico loopt zonder toe te lichten wat de oorzaak is en welke omstandigheden maken dat hij daarvoor vreest. De minister heeft in zijn verweerschriften, mede naar aanleiding van de beroepsgronden, alsnog een meer inhoudelijke beoordeling gemaakt. De vreemdeling heeft noch aan de hand van concrete ervaringen, noch anderszins aannemelijk gemaakt dat hij toch, door de huidige wijze waarop hij zijn geloof belijdt, als afvallige zal worden gezien en daarom mogelijk problemen kan krijgen. Ook verblijft de vreemdeling nog maar relatief kort in Nederland. De minister heeft dan ook deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gelet op zijn individuele omstandigheden bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt.

Het beroep is ongegrond.