Samenvatting
Op 20 november 2024 deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in een zaak van een Afghaanse vreemdeling die asiel had aangevraagd in Nederland. De vreemdeling heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij is Afghanistan in 2015 ontvlucht, omdat hij werd bedreigd door de Taliban omdat zijn broer werkte als lijfwacht voor een parlementslid. De vreemdeling heeft toen in Iran, Turkije en Griekenland verbleven zonder een verblijfsvergunning. Vanwege de gezondheid van zijn vader is de vreemdeling in 2020 teruggekeerd naar Afghanistan. Toen de Taliban in 2021 aan de macht kwamen, is hij weer gevlucht. Zijn vader had een winkel waar hij gas en diesel verkocht aan onder andere de lokale overheid. De Taliban hebben de winkel van de vader van de vreemdeling in beslag genomen nadat zij het dorp hadden ingenomen.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 18 december 2023 de asielaanvraag af, en deze beslissing werd op 6 maart 2024 door de rechtbank Den Haag bevestigd. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat de minister zich op het standpunt mag stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inname van de winkel van zijn vader door de Taliban op enigerlei wijze te maken heeft met de omstandigheden dat zij brandstoffen leverden aan de lokale overheid, dat zij van Tadzjiekse afkomst zijn en dat de broer van de vreemdeling lijfwacht van een parlementariër is geweest. De vreemdeling heeft na de inname van de winkel geen bedreigingen van de Taliban ontvangen en niet is gebleken dat de Taliban navraag naar hem, zijn vader of zijn broer hebben gedaan. De vreemdeling heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de Taliban hem persoonlijk in het vizier zouden hebben. . Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Alleen de stelling van de vreemdeling dat hij bij terugkeer mogelijk de aandacht zal trekken van de Taliban omdat hij is verwesterd, maakt dat niet anders, omdat hij dat niet nader heeft onderbouwd. Alleen het verblijf van twee jaar in Nederland is daarvoor onvoldoende.
In hoger beroep voerde de vreemdeling openbare bronnen aan die melding maakten van verhoogde aandacht voor terugkeerders uit het Westen door de Taliban.De Afdeling tot de conclusie dat uit de informatie uit de openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als een groep die een reëel risico op ernstige schade loopt wegens dat verblijf in het Westen. Het betoog faalt.
Ook stelde hij dat de minister en de rechtbank de individuele omstandigheden, zoals zijn afkomst, de activiteiten van zijn broer en de inname van de winkel, niet in samenhang hadden beoordeeld. Hij stelde dat de combinatie van factoren zijn risico op ernstige schade bij terugkeer vergrootte.
Afghanen die terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn geen groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarom is het aan een vreemdeling die stelt dat hij onder meer vanwege zijn verblijf in het Westen bij terugkeer naar Afghanistan problemen zal krijgen, om aannemelijk te maken waarom juist hij, gelet op het samenstel van zijn individuele omstandigheden, problemen zal krijgen en waaruit die bestaan. De minister moet bij zijn beoordeling of een vreemdeling dat aannemelijk heeft gemaakt alle relevante individuele factoren die een vreemdeling heeft aangedragen, in onderlinge samenhang bezien. Daartoe behoort ook de factor dat een vreemdeling in het Westen heeft verbleven. Het verblijf in het Westen zou er, in combinatie met andere individuele factoren en afhankelijk van de aangeleverde informatie uit algemene bronnen over de problemen die kunnen ontstaan, toe kunnen leiden dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat.
De vreemdeling betoogt terecht dat de werkzaamheden van zijn broer als lijfwacht van een parlementslid ten onrechte niet als relevant element zijn aangemerkt. Relevante elementen zijn feiten of omstandigheden die raken aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en die in verband staan met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het EVRM. Dat is met de werkzaamheden van de broer het geval. De minister heeft de werkzaamheden en dat de vreemdeling daardoor door de Taliban is bedreigd en gevlucht immers geloofwaardig geacht. De vreemdeling heeft er in hoger beroep, in zijn reactie op de antwoorden van de minister, op gewezen dat hij volgens [persoon C], Afghanistan-expert en co-oprichter van het Afghanistan Analysts Network, wel in de negatieve aandacht van de Taliban zal staan, omdat zijn broer lijfwacht is geweest van een prominent Afghaans parlementslid. Uit informatie uit openbare bronnen volgt dat familieleden van beveiligingspersoneel problemen kunnen ondervinden. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de minister de werkzaamheden terecht niet als relevant element heeft beschouwd.
De minister heeft geloofwaardig gevonden dat de vader van de vreemdeling een winkel had, waar de vreemdeling werkte, en dat die winkel volgens vaste contracten brandstoffen leverde aan de lokale overheid, dat de Taliban de winkel hebben ingenomen met die contracten in de hand en dat de Taliban zijn familieleden vervolgens uit hun huis hebben gezet. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling daardoor niet behoort tot de risicogroep van burgers die geassocieerd worden met de voormalige Afghaanse autoriteiten, en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door die werkzaamheden persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Taliban stond. Hiermee is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat de minister wel geloofwaardig heeft gevonden dat er enig verband bestond tussen de contracten met de lokale overheid en de inname van de winkel en het familiehuis. De vreemdeling betoogt dan ook terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan deze omstandigheid betekenis moet toekomen en dat de minister deze niet in onderlinge samenhang met de andere relevante omstandigheden heeft beoordeeld.
Hoewel de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister alleen het feit dat de vreemdeling Tadzjiek is onvoldoende heeft mogen vinden om de gestelde vrees bij terugkeer aannemelijk te achten, is zij eraan voorbijgegaan dat de minister de Tadzjiekse afkomst niet in onderlinge samenhang heeft bezien met de andere aangevoerde omstandigheden. De vreemdeling heeft gesteld dat hij uit het noordoosten van Afghanistan komt en ter zitting bij de Afdeling dat hij door zijn achternaam ook als zodanig te herkennen is. De vreemdeling heeft gewezen op informatie uit openbare bronnen waaruit blijkt dat er in dat gebied sprake is van vijandigheid tussen de Taliban en de NRF en dat de Taliban Tadzjieken ervan verdenkt de NRF te steunen. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de minister deze omstandigheid niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld met de andere aangevoerde omstandigheden.
Gelet op het voorgaande, betoogt de vreemdeling terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister bij het beoordelen van het terugkeerrisico niet de aangedragen individuele omstandigheden in onderlinge samenhang heeft bezien. De rechtbank heeft daarom niet onderkend dat de minister het besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De grieven slagen.
Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 18 december 2023 wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit op de asielaanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak en daarbij een nieuwe risico-inschatting maken.