Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12.038 - 29-05-2008

Samenvatting

De Raad is van mening dat niet duidelijk en voldoende blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat de aanvraag van verzoeker, met betrekking tot zijn vrees voor vervolging in geval van terugkeer, onderzocht werd vanuit het oogpunt van de buitengewone omstandigheden, zoals voorzien in artikel 9 lid 3 Vreemdelingenwet. A fortiori vindt de Raad dat de verwerende partij zich niet kon beperken tot een verwijzing naar de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, aangezien zijn beslissing tot onontvankelijkheid van de asielaanvraag niet te wijten was aan een ongeloofwaardig feitenrelaas maar wel omdat de verzoeker niet voldeed aan de criteria van de Conventie van Genève.