Samenvatting
De verzoekende partij is van haar vrijheid beroofd met het oog op haar terugdrijving. Zij maakt aldus het voorwerp uit van een terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is. Het staat dus vast dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en derhalve niet effectief is.
De Raad wijst erop dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, zoals blijkt uit de stukken van het administratief dossier, meer bepaald de beslissing tot weigering inoverwegingname van een meervoudige asielaanvraag van 29 april 2014 die werd genomen ten aanzien van verzoeker en die dateert van na de bestreden beslissing die werd genomen op 25 april 2014, duidelijk aangaf dat verzoeker niet mag worden teruggeleid naar Somalië. In de conclusie van voornoemde beslissing staat immers te lezen “Ik vestig de aandacht van de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid op het feit dat u niet mag worden teruggeleid naar Somalië, het door u genoemd land van herkomst, vermits u niet over de Somalische nationaliteit beschikt.” Hieruit volgt dat verzoeker op het eerste zicht een verdedigbare grief op grond van artikel 3 van het EVRM lijkt te hebben. Verzoeker maakt prima facie een schending van artikel 3 van het EVRM doordat hij wordt overgebracht naar Mogadishu, terwijl de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen geloof hecht aan zijn verklaringen dat hij afkomstig is uit Somalië, aannemelijk. Het eerste middel lijkt in de mate dat de schending van artikel 3 van het EVRM wordt aangevoerd, in deze stand van het geding ernstig.
De Raad stelt vast dat verzoeker prima facie een verdedigbare grief op grond van artikel 3 van het EVRM lijkt te hebben. Ieder redelijk denkend mens ziet, gelet op de voorgaande vaststellingen, onmiddellijk in dat de verzoekende partij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te ondergaan.