Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 125.837 - 20-05-2014

Samenvatting

In casu, spreekt de Raad zich niet uit over de vraag of de bestreden beslissing betrekking heeft op een situatie van weigering van voortgezet verblijf of betrekking heeft op een eerste vraag om toelating tot verblijf noch over de vraag of er getoetst moet worden aan het eerste lid dan wel tweede lid van artikel 8 EVRM. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt immers dat het onderscheid tussen deze twee situaties niet steeds even relevant is. In beide gevallen zijn de toepasselijke beginselen immers dezelfde en dient dezelfde kernvraag te worden beantwoord, nl. heeft de Staat binnen haar beleidsmarge een billijke afweging gemaakt tussen de concurrerende belangen van het individu en het algemeen belang. (zie EHRM 28 juni 2011, nr. 55597/09, Nuñez v. Noorwegen, par. 68-69.) 
De zeer algemene en vage stelling dat het familiale en persoonlijke belang van verzoeker hier dan ook ondergeschikt is waarbij enkel wordt verwezen naar een arrest van de Raad, voldoet geenszins in het licht van de vereiste concrete belangenafweging onder artikel 8 EVRM. De gemachtigde motiveert daarover: "De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt immers in het arrest 49.830 dd. 22.04.2010 onder andere dat uit artikel 8, tweede lid van het EVRM blijkt dat een inmenging in het privé- en gezinsleven mogelijk is wanneer er een wettelijke basis is en een maatregel nodig is om bepaalde doelstellingen, zoals de bescherming van de openbare orde, te verzekeren." Dat de bestreden beslissing een wettelijke basis kent en een legitiem doel nastreeft, wordt niet betwist. Dat er rekening wordt gehouden met de aard en ernst van de strafrechtelijke inbreuken, evenmin. De gemachtigde gaat evenwel geheel voorbij aan het gegeven dat er, aan de hand van de criteria die het EHRM in zijn rechtspraak aangeeft, een correcte en concrete billijke afweging moet worden gemaakt tussen de individuele belangen van de verzoeker, die in het verzoekschrift nader worden geduid, enerzijds, en het algemeen belang, anderzijds. Uit de bestreden beslissing blijkt een concrete afweging van het algemeen belang van de Belgische staat. Daarentegen kan noch uit de bestreden beslissing noch uit het administratief dossier worden afgeleid dat er voor verzoeker eveneens een concrete afweging van zijn individuele belangen, zoals vereist door artikel 8 van het EVRM, heeft plaats gehad. De gemachtigde beperkte zich tot een zeer algemene stelling ('het familiale en persoonlijke belang van verzoeker is hier dan ook ondergeschikt’) die overigens enkel is gesteund op een zeer selectieve lezing van een arrest van de Raad. Uit dit arrest blijkt immers dat in de betrokken zaak ook de proportionaliteit van de maatregel in concreto, d.i. rekening houdend met de individuele omstandigheden, werd onderzocht. Gezien de vastgestelde eenzijdigheid, Is van een concrete en dus correcte billijke belangenafweging is in deze zaak geen sprake. Een schending van artikel 8 van het EVRM wordt aangetoond. 
De verwerende partij betoogt in haar nota verder dat het slechts een tijdelijke verwijdering betreft waarbij verzoeker kan terugkeren indien hij de noodzakelijke formaliteiten vervult en In het bezit is van de vereiste binnenkomstdocument, maar gaat hierbij geheel voorbij aan het gegeven dat de bestreden beslissing werd genomen op grond van redenen van openbare orde en nationale veiligheid, en niet omwille van het ontbreken van de vereiste binnenkomstdocumenten. Uit de nota blijkt niet dat de verwerende partij inziet dat een correcte en concrete billijke belangenafweging vereist is; zij beperkt zich tot een louter herhalen van wat in de bestreden beslissing reeds werd gesteld, met name dat verzoeker driemaal werd veroordeeld voor diefstal met geweld of bedreiging. De verwerende partij wijst er tevens op het langdurige illegaal verblijf van verzoeker ook een schending uitmaakt van de openbare orde maar dit betoog komt neer op een a posteriori motivering die het gebrek aan een concrete en geïndividualiseerde belangenafweging zoals vereist door artikel 8 van het EVRM niet kan rechtzetten (cf. RvS 28 oktober 2008, nr. 187.420).