Samenvatting
De bestreden beslissing maakt toepassing van artikel 74/14, §3, 1°, van de Vreemdelingenwet en steunt in casu op de vaststelling dat verzoeker geen officiële verblijfplaats heeft in België. Zij houdt in dat verzoeker geen termijn verleend krijgt om uitvoering te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten.
In de voorbereidende werken aangaande de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de Vreemdelingenwet kan gelezen worden, “Gevolg gevend aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd de definitie van het risico op onderduiken aangepast. Het risico op onderduiken is het feit dat een onderdaan van een derde land die voorwerp uitmaakt van een procedure tot verwijdering, een actueel en reëel risico vormt om zich te onttrekken aan de autoriteiten. Daartoe baseert de minister of zijn gemachtigde zich op objectieve en ernstige elementen. Aangezien niet alle gevallen die kunnen voorkomen kunnen worden opgenoemd, volgt hierna bij wijze van voorbeeld enkele gevallen.” Er worden enkele gevallen opgesomd waarna nog gesteld wordt, “De aandacht dient te worden gevestigd op het feit dat het risico op onderduiken werd gedefinieerd op basis van principe nr. 6 “Voorwaarden waaronder opsluiting kan worden bevolen” uit de “Twintig richtsnoeren inzake gedwongen terugkeer” aangenomen door het Comité van ministers van de Raad van Europa op 4 mei 2005.” (DOC 53 1825/001, p.16-17, Kamer, 2011-2012))”.
Deze werkwijze kan echter niet maskeren dat er nog geen objectieve wettelijke criteria bepaald werden voor het risico op onderduiken. Hier had de Raad van State in zijn advies nochtans duidelijk op gewezen: “In onderdeel 11° wordt het risico op onderduiken gedefinieerd als “het feit dat er objectieve en ernstige aanwijzingen bestaan dat een onderdaan van een derde land die voorwerp uitmaakt van een procedure tot verwijdering, een actueel en reëel risico vormt om zich te onttrekken aan de autoriteiten”. Volgens artikel 3, punt 7, van richtlijn 2008/115/EG is het risico op onderduiken “het in een bepaald geval bestaan van redenen, gebaseerd op objectieve, in wetgeving vastgelegde criteria, om aan te nemen dat een onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt, zich zal onttrekken aan het toezicht”. Doordat de erkenning van het risico op onderduiken ertoe kan leiden dat de vreemdeling vastgehouden wordt of hem een verblijfplaats aangewezen wordt, staat het aan de wetgever om de objectieve criteria vast te leggen aan de hand waarvan kan worden bepaald of er redenen bestaan om aan te nemen dat een onderdaan van een derde land zich zal onttrekken aan het toezicht. Het ontworpen artikel 3, onderdeel 11°, zet artikel 3, punt 7), van richtlijn 2008/115/EG evenwel niet correct om, aangezien daarin geen dergelijke criteria vastgelegd worden, maar alleen aangegeven wordt dat er “objectieve en ernstige aanwijzingen” moeten bestaan. In dit verband kan niet worden volstaan met de opsomming van zulke aanwijzingen in de commentaar bij artikel 3 van het voorontwerp. Het ontworpen artikel 3, onderdeel 11°, behoort dienovereenkomstig te worden herzien.” (DOC 53 1825/001, p.52, Kamer, 2011-2012)).
Verzoeker kan derhalve gevolgd worden in zijn betoog dat de bestreden beslissing hem een risico op onderduiken verwijt maar nalaat te motiveren welke wettelijke objectieve criteria gehanteerd werden. Dit vormt een schending van de formele motiveringsplicht. Het eerste middel is op dit vlak gegrond.
De bestreden beslissing dient derhalve vernietigd te worden voor zover ze steunt op de toepassing van artikel 74/14,§3, 1°, van de Vreemdelingenwet wat maakt dat verzoeker geen termijn toebedeeld kreeg om uitvoering te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten. De beslissing om verzoeker geen termijn te verstrekken om uitvoering te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, vormt gelet op het gestelde in artikel 74/14, §1, van de Vreemdelingenwet een afzonderlijke beslissing. Het feit dat twee beslissingen via één document ter kennis wordt gebracht, houdt niet in dat de vernietiging van de beslissing om toepassing te maken van artikel 74/14,§3, 1°, van de Vreemdelingenwet leidt tot de vernietiging van de beslissing om een bevel om het grondgebied te verlaten uit te reiken op grond van artikel 7, eerste lid, 2° van de Vreemdelingenwet.