Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 128.272 - 27-08-2014

Samenvatting

Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State houdt de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in dat tegen niemand een maatregel kan worden genomen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die zijn belangen zwaar kan treffen, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt gegeven zijn standpunt uiteen te zetten en op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. Bij gebrek aan enige formele wetgeving ter zake, zal de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur slechts van toepassing zijn als ten minste aan de volgende twee cumulatieve voorwaarden is voldaan: 1, De overheid neemt een individuele beslissing die de betrokkene ernstig in zijn belangen aantast. 2, De maatregel is gebaseerd op het persoonlijk gedrag van de betrokkene, met name een gedrag dat hem als een tekortkoming wordt aangerekend (RvS 24 mei 2012, nr., 219.470; RvS 16 juni 2011, nrs, 213.887 en 213.888; RvS nr, 211.309, 17 februari 2011; RvS 20 april 2010, nr. 203,094; RvS 1 juni 2009, nr. 189.314; RvS 16februari 2004, nr. 128,184), om te onderzoeken of het aan de verzoeker opgelegde inreisverbod een maatregel uitmaakt die deze twee cumulatieve voorwaarden in zich sluit, dienen de ter zake toepasselijke wettelijke bepalingen in ogenschouw te worden genomen. 
Uit het bovengestelde blijkt dan ook dat in casu aan de beide voorwaarden is voldaan derwijze dat de hoorplicht van toepassing is en het de gemachtigde toekwam om alvorens een inreisverbod voor de duur van vijf jaar op te leggen, de verzoeker de gelegenheid te bieden om zijn standpunt hieromtrent uiteen te zetten en op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. In dit verband dient tevens te worden gewezen op het bepaalde In artikel 74/11, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet, waarin uitdrukkelijk is voorzien dat de duur van het inreisverbod wordt vastgesteld door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval, en artikel 74/11, § 2, tweede lid van de vreemdelingenwet dat bepaalt dat de minister of zijn gemachtigde. zich kan onthouden van het opleggen van een inreisverbod in individuele gevallen, omwille van humanitaire redenen. De hoorplicht in het kader van de besluitvorming die leidt tot het opleggen van een inreisverbod hangt dan ook nauw samen met de genoemde bepalingen van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet. 
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoeker in het kader van zijn asielprocedure melding maakte van zijn twee broers die op hetzelfde adres in België verbleven. De verzoeker beperkt zijn kritiek niet tot een louter theoretische discussie omtrent de hoorplicht, maar brengt specifieke elementen aan waarvan het aannemelijk is dat zij het bestuur, mits naleving van de hoorplicht, er mogelijks hadden toe kunnen brengen om de termijn van het inreisverbod in te korten. De beoordeling hieromtrent ligt echter finaal bij het bestuur. Het niet horen van de verzoeker heeft in casu dan ook een bepalende invloed op de strekking van de bestreden beslissing, zodat het vastgestelde gebrek in de besluitvorming de vernietiging van de bestreden beslissing met zich mee brengt.