Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 129.028 - 10-09-2014

Samenvatting

Krachtens artikel 40, § 4, 2° van de Vreemdelingenwet wordt een verblijfsrecht toegekend aan de burger van de Unie die over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Conform artikel 8, § 4 van richtlijn 2004/38/EG wordt in artikel 40, § 4, tweede alinea van de Vreemdelingenwet verder bepaald dat de bedoelde bestaansmiddelen “moeten minstens gelijk zijn aan het inkomstenniveau onder hetwelk sociale bijstand kan worden verleend. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de burger van de Unie, waarbij ondermeer rekening wordt gehouden met de aard en de regelmaat van dienst inkomsten en met het aantal familieleden die te zijnen laste zijn.” Noch uit de bestreden beslissing noch uit het administratief dossier kan worden opgemaakt of de gemachtigde is nagegaan of de door verzoeker aangebrachte werkloosheidsuitkeringen minstens gelijk zijn aan het inkomstenniveau onder hetwelk sociale bijstand kan worden verleend, of verzoeker een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk, en of er rekening werd gehouden met de persoonlijke situatie van verzoeker waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de aard en de regelmaat van diens inkomsten en met het aantal familieleden die te zijnen laste zijn.
 
In de thans bestreden beslissing werd de mogelijkheid om een inschrijving te behouden als beschikker van voldoende bestaansmiddelen onderzocht, maar daarbij werd het onderzoek naar het in dat geval van toepassing zijnde en in artikel 40, § 4, 2° en 40bis, § 1 van de Vreemdelingenwet vastgelegde criterium, met name of de Unieburger een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk vormt, veronachtzaamd. Verzoeker kan worden gevolgd waar hij stelt dat het gegeven dat men een werkloosheidsuitkering ontvangt, niet automatisch betekent dat men daardoor ook een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandssysteem. Daarenboven dient te worden opgemerkt dat het Hof van Justitie in haar rechtspraak heeft bevestigd dat het beroep doen op een werkloosheidsuitkering geen beroep doen is op het sociale bijstandsstelsel van een EU gastland (HvJ 4 juni 2009, gevoegde zaken C-22/08 en C-23/08, Vatsouras en Koupatantze, ro. 45: “Uitkeringen van financiële aard, die ongeacht de kwalificatie ervan in de nationale wetgeving bestemd zijn de toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, kunnen niet als een “recht op sociale bijstand” in de zin van artikel 24, lid 2 van richtlijn 2004/38 worden beschouwd.” Het desbetreffende artikel 24 van richtlijn 2004/38 handelt over het recht op gelijke behandeling.) Ten overvloede wijst de Raad erop dat het begrip “sociale bijstand” volgens het Hof van Justitie (zie HvJ 4 maart 2010, C-578/08, Chakroun, ro. 45-46 en HvJ 11 december 2007, C-291/05, Eind, ro. 29) moet worden begrepen als een autonoom begrip van het Unierecht dat verwijst naar sociale bijstand van overheidswege die in de plaats komt van ontbrekende stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten. De klassieke sociale verzekeringen die deel uitmaken van het sociaal zekerheidsstelsel, d.i. de professionele risicoverzekeringen (arbeidsongevallenverzekering), de sector van de pensioenen (ouderdoms- en overlevingspensioenen), de werkloosheidssector, het stelsel van de gezinsbijslagen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, die gelden als inkomensvervangende uitkeringen en gestoeld zijn op het solidariteitsprincipe door middel van sociale bijdragen op arbeidsinkomsten (door werkgever en werknemer) moeten in principe mee in overweging genomen worden bij het bepalen van de voldoende bestaansmiddelen. Het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden in het licht van de artikelen 40, § 4, 2° juncto 42bis, § 1 van de Vreemdelingenwet.