Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 132.232 - 27-10-2014

Samenvatting

Opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden ingewilligd, moeten drie voorwaarden cumulatief vervuld zijn.
 
Met betrekking tot de eerste voorwaarde, het uiterst dringende karakter, stelt de Raad vast dat de verzoekende partij zich in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 van de Vreemdelingenwet bevindt. In dit geval wordt het uiterst dringend karakter van de vordering wettelijk vermoed. De verwerende partij verzet zich hier overigens niet tegen.
 
Met betrekking tot de tweede voorwaarde, de ernst van de aangevoerde middelen, stelt de Raad vast dat de raadsman van de verzoekende partij op 9 oktober 2014, en dus voorafgaand aan het nemen van de thans bestreden beslissing, een informeel verzoekschrift indiende waarin wordt gevraagd om alsnog de asielaanvraag te behandelen. In dit document wordt onder meer verwezen naar, enerzijds, een omstandig verslag inzake een psychische evaluatie van de verzoekende partij en, anderzijds, naar verschillende rapporten inzake de situatie van asielzoekers in Bulgarije, waaronder de verwijzing naar een nieuw rapport van Human Rights Watch van 18 september 2014, en dus recenter dan deze die werden gehanteerd door de verwerende partij in de zogenaamde bijlage 26quater van 28 april 2014 waarin melding wordt gemaakt van diverse schending van de fundamentele rechten van asielzoekers en vluchtelingen.
 
Los van de vraag of het aan de verwerende partij toekwam om formeel te beschikken op een informeel verzoek van de verzoekende partij om haar asielaanvraag alsnog in te behandelen, blijkt uit dit stuk wel dat een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM wordt aangekaart op grond van gegevens die de verwerende partij nog niet ter beschikking stonden op het ogenblik dat de beslissing tot weigering van verblijf werd genomen, maar wél moesten gekend zijn –omdat ze waren overgemaakt door de verzoekende partij- op het ogenblik van het nemen van de thans bestreden beslissing.
 
Aangezien het bestaan van een reëel gevaar van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling moet worden beoordeeld op grond van de omstandigheden waarvan de verwerende partij kennis had of had moeten hebben op het ogenblik van de bestreden beslissing (cf. mutatis mutandis: EHRM 4 december 2008, Y./Rusland, § 81; EHRM 20 maart 1991, Cruz Varas en cons./ Zweden, §§ 75-76; EHRM 30 oktober 1991, Vilvarajah en cons./Verenigd Koninkrijk, § 107) en de verwerende partij een zo nauwkeurig mogelijk onderzoek moet doen van de gegevens die wijzen op een reëel risico van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling (EHRM 21 januari 2011, M.S.S./België en Griekenland, §§ 293 en 388), lijkt prima facie te moeten worden geoordeeld dat het middel ernstig is. Immers, uit de motieven van de bestreden beslissing kan geenszins worden afgeleid of de verwerende partij al dan niet rekening heeft gehouden met de voormelde recente elementen aangaande het risico op een schending van artikel 3 van het EVRM die haar door de verzoekende partij ter kennis werden gebracht. De argumenten van de verwerende partij doen daaraan geen afbreuk.
 
Met betrekking tot de derde voorwaarde, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, stelt de Raad vast dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift als moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangeeft dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een schending van de artikel 3 van het EVRM tot gevolg zal hebben nu zij zal worden verwijderd naar Bulgarije en aldaar het risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen.
 
De verzoekende partij kan, gelet op de bespreking van het ernstig middel en de link tussen dat middel en het vereiste onderzoek naar het risico op een schending van artikel 3 van het EVRM worden gevolgd. Ieder redelijk denkend mens ziet immers onmiddellijk in dat de verzoekende partij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, die inderdaad een gedwongen verwijdering naar Bulgarije met zich brengt, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te ondergaan. De argumenten van de verwerende partij doen daaraan geen afbreuk.