Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 132.302 - 28-10-2014

Samenvatting

De door verzoekster in België aangegane wettelijke samenwoning betreft geen geregistreerd partnerschap op basis van een vreemde wet die als gelijkwaardig met het huwelijk in België wordt beschouwd. Integendeel betreft het de wettelijke samenwoning voorzien in de artikelen 1475 tot 1479 van het Burgerlijk Wetboek. Dergelijk geregistreerd partnerschap wordt door de wetgever uitdrukkelijk bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 2° van de vreemdelingenwet, waarbij de wetgever duidelijk de bedoeling heeft gehad om aan een partner in het kader van wettelijke samenwoning bijkomende vereisten op te leggen in vergelijking met de echtgenoot. Bij de invoering van de door verzoekster bedoelde wettelijke procedure teneinde op te kunnen treden tegen schijnwettelijke samenlevingen heeft de wetgever artikel 40bis, § 2, eerste lid, 2° van de vreemdelingenwet behouden, zodat geenszins blijkt dat de wetgever op verblijfsrechtelijk vlak de partner in het kader van een wettelijke samenwoning op dezelfde wijze wenste te behandelen als de echtgenoot. De Raad benadrukt dat uit het gegeven dat de wetgever een procedure heeft ingevoerd teneinde te kunnen optreden tegen schijnwettelijke samenwoningen, naar analogie met artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek, nog niet volgt dat de wetgever de wettelijke samenwoning voorzien in de artikelen 1475 tot 1479 van het Burgerlijk Wetboek op zich beschouwt als gelijkwaardig aan het huwelijk. Hij heeft enkel in gelijkaardige controle- en sanctiemogelijkheden voorzien, doch dit staat los van de inhoudelijke invulling van het statuut van wettelijke samenwonende in België dat nog steeds wezenlijk verschilt van het statuut van gehuwde.
 
Ondergeschikt betoogt verzoekster dat het bewijs van het duurzaam en stabiel karakter van de relatie bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 2° van de vreemdelingenwet als geleverd dient te worden beschouwd gelet op het opsporingsonderzoek en het gunstig advies van het parket dat hierop volgde. Zij stelt dat aldus het bewijs voorligt dat er sprake is van een duurzame levensgemeenschap en dat dit bewijs een grotere objectieve waarde heeft dan een subjectief bewijs van relatie gedurende twee jaar of het wonen op hetzelfde adres gedurende één jaar. De Raad merkt evenwel op dat de wetgever in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 2° van de vreemdelingenwet duidelijk de voorwaarden heeft bepaald opdat een partnerrelatie in het kader van de wettelijke samenwoning als duurzaam en stabiel wordt beschouwd voor de toepassing van deze bepaling. De Raad merkt op dat de beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden enkel een antwoord betreft op een aanvraag van verzoekster waarbij zij zich beriep op een verblijfsrecht op grond van artikel 40bis juncto artikel 40ter van de vreemdelingenwet. Er blijkt aldus niet dat verweerder er zich in deze beslissing niet toe kon beperken vast te stellen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een recht op verblijf van meer dan drie maanden op grond van deze bepalingen. Er blijkt niet dat in deze beslissing enige motivering in het kader van artikel 8 van het EVRM zich opdrong, of enig onderzoek door het bestuur in deze zin vereist was, nu verzoekster zich in haar aanvraag ook geenszins beriep op deze verdragsbepaling doch enkel op artikel 40bis juncto artikel 40ter van de vreemdelingenwet.
 
Gelet, enerzijds, op het feit dat de beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden en de beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten de toetsing aan verschillende wetsbepalingen en dus een afzonderlijk onderzoek en een afzonderlijke juridische grondslag vereisen en, anderzijds, dat deze beslissingen onderscheiden rechtsgevolgen hebben, moet worden geconcludeerd dat het van elkaar te onderscheiden rechtshandelingen zijn, die elk op eigen gronden kunnen worden aangevochten bij de Raad. Het gegeven dat de eventuele vernietiging van een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden tot gevolg heeft dat ook het in dezelfde akte van kennisgeving opgenomen bevel om het grondgebied te verlaten kaduuk wordt, doet aan voorgaande vaststelling geen afbreuk en laat slechts toe te concluderen dat het voor een vreemdeling aangewezen kan zijn beide beslissingen aan te vechten indien hij meent dat de beslissing waarbij hem een verblijf wordt geweigerd op onwettige wijze werd genomen. De vaststelling dat de beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten niet overeenkomstig de wet werd genomen heeft daarentegen geen gevolgen voor de in dezelfde akte van kennisgeving opgenomen beslissing tot weigering van verblijf. Het is derhalve mogelijk dat de Raad vaststelt dat de beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen met miskenning van de wet terwijl deze vaststelling geen impact heeft op de beslissing tot weigering van verblijf, die aan een vreemdeling met een zelfde akte ter kennis werd gebracht. De vernietiging van dit bevel om het grondgebied te verlaten wijzigt immers niets aan de aard of rechtsgeldigheid van deze beslissing tot weigering van verblijf. Verzoekster kan dan ook niet worden gevolgd waar zij lijkt te willen stellen dat de beslissing tot weigering tot verblijf van meer dan drie maanden een accessorium van de beslissing tot afgifte van het bevel om het grondgebied te verlaten zou zijn en de vernietiging van de beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten automatisch dient te leiden tot de vernietiging van de beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden.
 
De Raad merkt op dat verweerder in de beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten geen motivering in rechte heeft opgenomen, zodat verzoekster kan worden gevolgd waar zij stelt dat verweerder de formele motiveringsplicht, zoals deze voortvloeit uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 heeft geschonden. Aangezien in artikel 8 van de vreemdelingenwet expliciet is bepaald dat bij de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten steeds de bepaling van artikel 7 van dezelfde wet die werd toegepast dient te worden vermeld, blijkt duidelijk dat de wetgever een groot belang heeft gehecht aan een correcte motivering in rechte van bevelen om het grondgebied te verlaten. Een loutere motivering in feite kon in casu derhalve hoe dan ook niet volstaan. De Raad benadrukt ook dat zelfs indien de overheid een beslissing neemt op grond van een gebonden bevoegdheid, daargelaten de vraag of dit in casu het geval is, slechts aan de draagkrachtvereiste wordt voldaan door de juridische en feitelijke toestand te vermelden die de toepassing van de regel uitlokt (cf. RvS 15 februari 2010, arrest nr. 200.807).
 
Door uiteen te zetten dat een vreemdeling die niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk uit eigen beweging het Belgische grondgebied dient te verlaten en door toe te lichten dat wanneer zij niet beslist tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten aan een dergelijke vreemdeling niet kan worden geconcludeerd dat deze vreemdeling toch verblijfsgerechtigd zou zijn, weerlegt verweerder de vaststelling niet dat hij in voorliggende zaak overging tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten zonder te voorzien in een motivering in rechte. Verweerder kan ook niet worden gevolgd in zijn betoog dat de verplichting om in een beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten duidelijk te vermelden dat hij van oordeel is dat een vreemdeling zich in één van de in artikel 7 van de vreemdelingenwet voorziene situaties bevindt, zou neerkomen op een verplichting om een “negatieve motivering” te voorzien die “onmogelijk” is. De Raad kan in de door verweerder in zijn nota met opmerkingen aangehaalde artikelen 6 en 7 van de vreemdelingenwet evenmin een bepaling ontwaren die zou verhinderen dat een bevel om het grondgebied te verlaten formeel wordt gemotiveerd. Het derde middel is, in de aangegeven mate, gegrond en leidt tot de nietigverklaring van het bevel om het grondgebied te verlaten.