Samenvatting
Wat betreft de aangevoerde vrees voor besmetting met het ebola-virus, dient opgemerkt dat verzoeker niet kan gevolgd worden waar hij in onderhavig verzoekschrift stelt dat de procedure voorzien in artikel 9ter van de vreemdelingenwet vanuit het Europees recht gezien moet worden als een vorm van subsidiaire bescherming, noch dat het de bedoeling van de Belgische wetgever was om de subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet op die manier te percipiëren. Bovendien komt verzoeker in onderhavig verzoekschrift niet verder dan de louter hypothetische veronderstelling dat hij met het ebola-virus besmet zal geraken ingeval van terugkeer naar Ghana en dat de Ghanese autoriteiten niet in staat zullen zijn hem hiertegen te beschermen. Verzoeker brengt evenwel geen enkel stuk bij om zijn stellingen en beweringen te staven. Dit klemt des te meer daar verzoeker zelfs niet aantoont dat er actueel in Ghana sprake is van een dermate uitbraak van het ebolavirus dat hij louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van een besmetting met voormeld virus. De bestreden beslissing stelt dan ook terecht: “Ten slotte zonder afbreuk te doen aan de ernst van de situatie in een bepaalde regio van Afrika, kan de door u ingeroepen vrees voor besmetting door het Ebola-virus geen aanleiding geven tot het bestaan van een nood aan internationale bescherming. De door u aangehaalde vrees in dit verband is vreemd aan de criteria die worden vermeld in artikel 1, A (2) van de Conventie van Genève van 28 juli 1951. U maakt in dit verband evenmin aannemelijk dat u persoonlijk een risico zou lopen op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2 van de wet van 15 december 1980. Het feit dat dergelijke epidemie zou voorkomen in uw land van herkomst is niet van aard om in concreto een onmenselijke of vernederende behandeling ten gevolge van deze epidemie in uw hoofde vast te stellen. Dit risico blijkt op dit moment voor u louter hypothetisch te zijn. Bovendien, kan er slechts sprake zijn van een gegronde vrees tot vervolging of een reëel risico op ernstige schade in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980, voor zover met betrekking tot het ontstaan van de vervolging of de ernstige schade de directe of indirecte verantwoordelijkheid van de autoriteiten van dat land of een van de andere in artikel 48/5 vermelde actoren wordt aangetoond. Met betrekking tot het door u aangehaalde risico, zijn deze voorwaarden niet vervuld.