Samenvatting
Wat artikel 48/5, §4 van de vreemdelingenwet betreft, wijst de Raad erop dat een land kan worden beschouwd als eerste land van asiel “wanneer de asielzoeker in dat land erkend is als vluchteling en hij die bescherming nog kan genieten, of hij anderszins reële bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het genot van het beginsel van non-refoulement, mits hij opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten”.
Eén van de voorwaarden voor de reële bescherming is een toereikende bescherming door de overheid, wat betekent dat
a) de asielzoeker in het eerste land van asiel geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie heeft, noch een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming;
b) de asielzoeker in het eerste land van asiel een levensstandaard heeft die niet als onmenselijk of mensonterend kan beschouwd worden overeenkomstig artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: EVRM);
c) de asielzoeker in het eerste land van asiel toegang heeft tot het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 (hierna: Vluchtelingenverdrag), alsook of dit land betrokken partij is bij het Vluchtelingenverdrag en deze conventie naleeft, tenzij kan worden aangetoond dat het eerste land van asiel zoniet de jure, dan wel de facto een beleid heeft ontwikkeld overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag;
d) de bescherming die het eerste land van asiel biedt, niet tijdelijk is van aard in die zin dat zij minstens moet duren zolang de nood aan bescherming bestaat.
Uit informatie (“Algemeen ambtsbericht Azerbeidzjan” van 23 mei 2012; “Guidelines on the treatment of Chechen internally displaced persons (IDPs), asylum seekers and refugees in Europe, revised March 2011”) die door de commissaris-generaal werd toegevoegd aan het administratief dossier, blijkt dat voor landen waar het UNHCR in het kader van zijn mandaat beslissingen neemt inzake de vluchtelingenstatus, zoals in casu Azerbeidzjan, de bescherming niet toereikend wordt geacht. Bijgevolg kunnen deze landen niet gelden als “eerste land van asiel” in de zin van artikel 48/5, §4 van de vreemdelingenwet.
Uit wat voorafgaat, volgt dat het verzoek tot internationale bescherming van verzoeker en verzoekster moet worden beoordeeld ten aanzien van de Russische Federatie, het land waarvan ze de nationaliteit bezitten.
De bewering in het verzoekschrift dat “het loutere gegeven dat Azerbeidzjan niet als eerste land van asiel zou kunnen worden beschouwd, volstaat (uiteraard) niet om te concluderen dat de asielaanvraag van verzoekers niet tgo. Azerbeidzjan, doch wel tgo. de Russische Federatie dient te worden beoordeeld”, gezien ze een vrees inroepen tegenover het land waarvan wordt gezegd dat het niet kan worden beschouwd als eerste land van asiel, doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Ze tonen niet aan op welke wijze Azerbeidzjan “(ook) als land van herkomst (dient) te worden beschouwd”.