Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 134.345 - 1-12-2014

Samenvatting

Verzoekende partij betoogt dat zij wel degelijk in haar aanvraag tot opheffing van het ministerieel besluit gewezen heeft op een wijziging in materiële zin in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigen. Zo heeft zij, naast haar gezinsleven, ondermeer verwezen naar het feit dat de veroordelingen die ten grondslag lagen aan het ministerieel besluit dateren van ruim acht jaar geleden, dat zij ondertussen haar straf heeft uitgezeten en dat zij in 2009 teruggeleid werd naar Marokko en nadien nooit meer strafrechtelijk werd veroordeeld.
 
De Raad stelt vast dat het administratief dossier zoals dit werd overgemaakt nergens de aanvraag van 30 januari 201 tot opheffing van het ministerieel besluit bevat. Derhalve kan de Raad niet nagaan of de verwerende partij bij het treffen van de thans bestreden beslissing bepaalde argumenten van de verzoekende partij al dan niet over het hoofd heeft gezien en daardoor al dan niet nagelaten heeft hieromtrent te motiveren. Immers blijkt uit de bestreden beslissing slechts dat de verwerende partij motiveert aangaande het argument inzake verzoekers gezinsleven, daar waar verzoekende partij voorhoudt dat zij nog andere argumenten heeft aangevoerd.
 
Uit de argumentatie van verzoeker blijkt dat het noodzakelijk is inzage te hebben in de stukken die geleid hebben tot de oordeelsvorming vervat in de bestreden beslissing. De Raad kan niet nagaan of de administratie uit de inlichtingen waarover zij beweerde te beschikken wel de juiste conclusie getrokken heeft. Daar de administratie deze determinerende informatie niet ter beschikking van de Raad gesteld heeft, maakt ze de wettigheidscontrole op haar beslissing onmogelijk (RvS 17 februari 1998, nr. 71 867). Derhalve dringt de nietigverklaring van de bestreden beslissing zich op.