Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 134.793 - 9-12-2014

Samenvatting

In casu werd het bevel om het grondgebied te verlaten onder meer genomen in toepassing van artikel 7, eerste lid, 1° van de vreemdelingenwet, op grond van de vaststelling dat de verzoekende partij in het Rijk verblijft zonder houder te zijn van de bij artikel 2 van deze wet vereiste documenten. De verzoekende partij is niet in het bezit van een geldig paspoort met geldig visum. Aldus beschikt de staatssecretaris ter zake over een gebonden bevoegdheid.
 
De herhaalde asielaanvraag van verzoeker, ingediend op 26 augustus 2014, werd echter op 18 september 2014 in overweging genomen en is hangend bij de commissaris-generaal. In het kader van deze herhaalde asielaanvraag beschikt de verzoekende partij momenteel over een tijdelijk verblijfsrecht in afwachting van een beslissing ten gronde. Zij kan derhalve niet meer het voorwerp uitmaken van een bevel om het grondgebied te verlaten op grond van de hoofdvaststelling dat zij zich op illegale wijze in het Rijk bevindt op grond van artikel 7, eerste lid, 1° van de vreemdelingenwet.
 
De Raad acht het aangewezen om, voor de duidelijkheid in het rechtsverkeer en dus voor de rechtszekerheid, dit bevel uit het rechtsverkeer te verwijderen via een vernietiging.