Samenvatting
In casu werd de verzoekende partijen een inreisverbod opgelegd omdat zij geen gevolg gaven aan eerdere bevelen om het grondgebied te verlaten, in welk geval het opleggen van een inreisverbod verplicht wordt gesteld conform het gestelde in artikel 74/11, §1, 2° van de Vreemdelingenwet. De verzoekende partijen betwisten dit niet, maar betogen in essentie dat niet werd gemotiveerd waarom hen een inreisverbod voor een duur van twee jaar werd opgelegd. Verzoekers lezen ook wat in de bestreden beslissingen kan worden gelezen, namelijk dat ze geen stappen ondernomen hebben om België vrijwillig te verlaten en dat ze een aanvraag op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet hebben ingediend, maar volgens verzoekers vormt dit geen verklaring voor de opgelegde duur van het inreisverbod. Deze elementen impliceren immers niet een inreisverbod van twee jaar.
Verzoekende partijen kunnen te dezen gevolgd worden in hun betoog. Het gegeven dat verzoekers geen stappen hebben ondernomen om België te verlaten komt neer op het geen gevolg geven aan eerdere bevelen om het grondgebied te verlaten, wat wel een verklaring vormt waarom een inreisverbod wordt opgelegd maar tegelijkertijd niet de verklaring kan vormen waarom dan een inreisverbod van twee jaar wordt opgelegd. Tevens ziet de Raad samen met de verzoekende partijen niet in waarom het indienen van een aanvraag om verblijfsmachtiging op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet op 23 december 2013, zou verklaren waarom een inreisverbod van twee jaar wordt opgelegd.