Samenvatting
Uit artikel 27 van de Burgerschapsrichtlijn volgt dat lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van Unieburgers en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, enkel mogen beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Het niet in aanmerking nemen van een verblijfsaanvraag van een familielid van een Unieburger moet worden beschouwd als het beperken van de vrijheid van verkeer en verblijf van unieburgers en hun familieleden. Derhalve zijn de bestreden beslissingen, beslissingen die vallen onder toepassing van artikel 43 van de Vreemdelingenwet zoals richtlijnconform geïnterpreteerd.
Het begrip ‘openbare orde’, zoals het wordt gebruikt in de Burgerschapsrichtlijn, waarvan artikel 43 van de Vreemdelingenwet de omzetting vormt, moet restrictief worden uitgelegd. De uitzondering van openbare orde vormt een afwijking van het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van personen, die strikt moet worden opgevat en waarvan de draagwijdte niet eenzijdig door de lidstaten kan worden bepaald. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie veronderstelt het beroep van een nationale instantie op het begrip openbare orde, in het kader van de Burgerschapsrichtlijn, hoe dan ook het bestaan van een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (HvJ 10 juli 2008, C-33/07, Jipa, en verwijzing naar rechtspraak daarin). Dit wordt ook zo weergegeven in artikel 43 van de Vreemdelingenwet.
Uit de bestreden beslissingen blijkt niet dat de gemachtigde is nagegaan of het gedrag van verzoekster en haar kinderen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving of hieromtrent gemotiveerd heeft. In casu verwijst de gemachtigde enkel naar de opgelegde inreisverboden als redengeving om de verblijfsaanvragen niet in aanmerking te nemen. Dit motief volstaat op zich evenwel niet om de bestreden beslissingen te schragen.
In de nota houdt de verwerende partij voor dat het langdurig illegaal verblijf onmiskenbaar een schending uitmaakt van de openbare orde, nu verzoekster en haar kinderen sinds 2010 illegaal in het land zijn en zich in de illegaliteit blijven nestelen. De verwerende partij wendt hier echter een a posteriori motivering aan die niet terug te vinden is in de bestreden beslissingen.
Waar de verwerende partij stelt dat verzoekster niet nuttig kan verwijzen naar het arrest van het Hof van Justitie van 31 januari 2006 (C-503/03, Commissie v. Spanje), stelt de Raad nog vast dat dit arrest wel relevant is. In dit arrest stelt het Hof van Justitie vast dat het begrip ‘openbare orde’ in de Burgerschapsrichtlijn niet overeenstemt met het begrip ‘openbare orde’ in artikel 96 SUO. Anders dan in de Burgerschapsrichtlijn, rechtvaardigen omstandigheden zoals beschreven in artikel 96 SUO zonder meer signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS), los van enige concrete beoordeling van het gevaar dat de betrokkene oplevert. De loutere seining in het SIS op basis van artikel 96 SUO laat op zich niet toe om te besluiten dat er sprake is van een gevaar van openbare orde in de zin van artikel 27 van de Burgerschapsrichtlijn, zoals omgezet in artikel 43 van de Vreemdelingenwet. Omdat verzoekster en haar kinderen het voorwerp uitmaken van een inreisverbod, werden zij op basis van artikel 96 SUO ter fine van weigering van toegang gesignaleerd. Uit nazicht van het administratief dossier blijkt dat het inreisverbod werd opgelegd omdat verzoekster en haar kinderen geen gevolg hebben gegeven aan een eerder bevel om het grondgebied te verlaten, conform artikel 96, § 3 SUO, en niet omwille van redenen van openbare orde, zoals voorzien in artikel 96, § 2 SUO.