Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 137.056 - 23-01-2015

Samenvatting

Het wordt niet betwist dat verzoekster samen met haar minderjarige zoon samenwoont met haar Belgische partner. Zij voegt ook stukken bij haar verzoekschrift ter staving, waaronder een verklaring van de burgemeester van haar gemeente. De Raad is dan ook van oordeel dat niet ernstig kan worden betwist dat er een gezinsleven is. Het wordt verder niet betwist dat de minderjarige zoon van verzoekster hier school loopt.
 
De Raad stelt vast dat de verwerende partij in de bestreden beslissing, in toepassing van artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet, heeft gemotiveerd omtrent de relatie die verzoekster heeft met haar Belgische partner en dienomtrent geoordeeld heeft dat een tijdelijke verwijdering van het grondgebied geen schending uitmaakt van artikel 8 van het EVRM. Echter, verzoekster heeft ook een minderjarige zoon die schoolloopt in België en die in de bestreden beslissing volledig onvermeld wordt gelaten.
 
Ter zitting wordt door de raadsman van de verwerende partij bevestigd dat het minderjarige kind van verzoekster haar verblijfsrechtelijke status volgt en dat het bevel om het grondgebied te verlaten dus dezelfde gevolgen heeft voor hem.
 
Derhalve moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat de verwerende partij onder meer rekening diende te houden met de bepalingen van artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet, in het bijzonder met het hoger belang van het kind en het gezins- en familieleven van dat kind, in het licht van het feit dat hij deel uitmaakt van het gezin van verzoekster en haar partner en in het licht van het feit dat hij hier school loopt. Nergens blijkt dat dit het geval is.
 
De verzoekende partij lijkt prima facie dan ook te kunnen worden bijgetreden waar zij stelt dat niet blijkt dat rekening werd gehouden met haar minderjarige zoon die samen met zijn moeder inwoont bij zijn stiefvader en die hier school loopt.
 
Een schending van de artikelen 8 van het EVRM en 74/13 van de Vreemdelingenwet lijkt te zijn aangetoond.