Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 137.372 - 27-01-2015

Samenvatting

Uit de artikelen 1 en 74/11, § 3 van de vreemdelingenwet volgt dat het inreisverbod in werking treedt met de betekening ervan en dat vanaf die datum aan de betrokkene – voor de in het inreisverbod vermelde termijn – niet enkel de toegang tot het grondgebied, maar ook het verblijf op het grondgebied van het Rijk wordt verboden.
 
Enkel het toekennen van de internationale bescherming overeenkomstig de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet of een machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9ter van de vreemdelingenwet kan dit verbod buiten werking stellen. Gezien artikel 74/11, § 3, tweede lid van de vreemdelingenwet er niet in voorziet dat het toekennen van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet zou kunnen ingaan tegen het inreisverbod en zulks ook niet blijkt uit de overige bepalingen van de vreemdelingenwet, en gezien artikel 1, 8° van de vreemdelingenwet uitdrukkelijk bepaalt dat het inreisverbod gedurende zijn geldingsduur een verbod behelst om op het grondgebied te verblijven, dient te worden besloten dat aan de vreemdeling die valt onder een geldend inreisverbod geen verblijfsmachtiging op grond van voormeld artikel 9bis kan worden toegekend tot op het ogenblik dat de duur van het inreisverbod is verlopen of tot aan een eventuele schorsing, vernietiging, opheffing of intrekking ervan (zie mutatis mutandis: RvS 9 maart 2012, nr. 218.401).
 
Gelet op het feit dat de verzoekende partij onderworpen is aan een inreisverbod, waardoor haar “de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten” gedurende een termijn van drie jaar wordt verboden, kan een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing slechts aanleiding geven tot een (nieuwe) negatieve beslissing van de gemachtigde, daar het inreisverbod de toekenning van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet verhindert. Zodoende kan de verzoekende partij op heden geen wettig belang doen gelden bij haar beroep tegen de beslissing waarbij haar aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van voormeld artikel 9bis onontvankelijk werd verklaard en kan dit beroep geen enkel nuttig effect ressorteren.