Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 137.706 - 2-02-2015

Samenvatting

Het gegeven dat in casu de voogd geen voorstel tot duurzame oplossing heeft voorgelegd, dat de asielaanvraag van verzoekende partij negatief werd beëindigd en dat de verzoekende partij geen verblijfrecht heeft op Belgisch grondgebied, ontslaat de gemachtigde voorts niet van zijn vergewisplicht zoals neergelegd in artikel 74/16, § 2 van de vreemdelingenwet:
“De minister of zijn gemachtigde vergewist zich ervan dat deze minderjarige, die wordt verwijderd van het grondgebied, garanties qua opvang en tenlasteneming krijgt in zijn land van herkomst of in het land waar hij gemachtigd of toegelaten is tot verblijf, gelet op zijn behoeften volgens zijn leeftijd en graad van zelfstandigheid, ofwel van zijn ouders of een ander familielid of zijn voogd die voor hem zorgt ofwel van regeringsinstanties of niet-gouvernementele instanties.
Daartoe vergewist de minister of zijn gemachtigde zich ervan dat de volgende voorwaarden vervuld zijn (…)”.
 
Dit houdt in dat de gemachtigde, wanneer een bevel tot terugbrenging wordt afgeleverd, zich er van vergewist dat de minderjarige die wordt verwijderd van het grondgebied, garanties qua opvang en tenlasteneming krijgt in zijn land van herkomst of in het land waar hij gemachtigd of toegelaten is tot verblijf, overeenkomstig artikel 74/16, § 2 van de vreemdelingenwet.
 
Waar verwerende partij voorhoudt dat de zij niet anders kan dan een bijlage 38 af te geven gelet op de gebonden bevoegdheid verbonden aan artikel 7, eerste lid, 1° van de vreemdelingenwet, benadrukt de Raad dat het aan de gemachtigde toekomt om in het kader van zijn bevoegdheden inzake vreemdelingenpolitie na te gaan of er garanties zijn qua opvang en tenlasteneming in het land van herkomst. In het arrest nr. 106/2013 van 18 juli 2013 stelt het Grondwettelijk Hof hierover: “De bij artikelen 61/17, 61/18 en 74/16 van de wet van 15 december 1980 aan de minister of zijn gemachtigde toevertrouwde beslissingsbevoegdheid in het kader van zijn bevoegdheden inzake vreemdelingenpolitie wordt beperkt door de verplichting om een duurzame oplossing te bepalen die aan de situatie van elke minderjarige is aangepast.” De gebonden bevoegdheid die de verwerende partij heeft, dient samengelezen te worden met de artikelen 61/18, 74/13 en 74/16 van de vreemdelingenwet en kan maar ontstaan nadat de verwerende partij deze plichtplegingen heeft vervuld.
 
Evenwel blijkt uit de bestreden beslissing noch uit de stukken van het administratief dossier dat de verwerende partij zich heeft vergewist van eventuele garanties op adequate opvang en tenlasteneming in het land van herkomst. In die mate is de verwerende partij onzorgvuldig geweest bij de voorbereiding van het treffen van de bestreden beslissing.

Meer info