Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 137.741 - 2-02-2015

Samenvatting

Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gemachtigde, zonder een verder onderzoek te doen naar de bestaansmiddelen die de verzoekende partij en haar echtgenote nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden, geoordeeld heeft dat het gemiddeld maandloon van de referentiepersoon onder de armoedegrens ligt zodat zij een risico lopen ten laste te vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. In weerwil van wat de verwerende partij in haar nota betoogt, houdt voormeld motief niet in dat zij in concreto heeft onderzocht welke bestaansmiddelen de verzoekende partij en haar partner in hun specifieke omstandigheden nodig hebben om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Een en ander klemt des te meer daar het bedrag dat bepaald wordt in artikel 40ter van de vreemdelingenwet een referentiebedrag is en geen minimumbedrag is waaronder geen gezinshereniging mogelijk is (GWH 26 september 2013, arrest 121/2013). De verwerende partij dient rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. In casu stelt de Raad vast dat de gemachtigde niet alleen het bedrag van de armoedegrens voor een huishouden bestaande uit twee volwassenen in haar behoefteanalyse hanteert als een minimumbedrag waaronder gezinshereniging niet mogelijk is maar ook dat dit bedrag bovendien hoger ligt dan het minimale bedrag waaronder onderdanen van het gastland in aanmerking komen voor gezinshereniging, dus dat dit bedrag hoger ligt dan het referentiebedrag. In deze kan de verzoekende partij worden gevolgd waar ze stelt dat de verwijzing naar de armoedegrens arbitrair is. Ten overvloede kan ook nog worden opgemerkt dat het bedrag dat gehanteerd wordt om te bepalen of iemand onder de armoedegrens valt beduidend hoger is dan het bedrag waarbij sociale bijstand kan worden verkregen, terwijl het de wil is geweest van de wetgever om de bestaansmiddelen te bepalen die nodig zijn om te voorzien in het levensonderhoud zonder een last te worden van de overheid en niet om te bepalen of de betrokkene onder de armoedegrens valt.
 
Indien de gemachtigde niet bekend is met de eigen en specifieke behoeften van de verzoekende partij en haar partner, dan voorziet artikel 42, § 1, tweede lid van de vreemdelingenwet dat de gemachtigde hiervoor alle bescheiden en inlichtingen die voor het bepalen van de bestaansmiddelen die zij nodig hebben om te voorkomen dat ze ten laste vallen van de openbare overheden, kan doen overleggen door de betrokken vreemdeling. De Raad stelt vast dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de gemachtigde gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om inlichtingen in deze zin te vragen. Nochtans geeft de verzoekende partij in haar verzoekschrift een aantal elementen aan die bij deze concrete behoefteanalyse in rekening hadden kunnen worden genomen. De gemachtigde is derhalve op dit punt in gebreke gebleven om zijn beslissing zorgvuldig voor te bereiden en te baseren op een correcte feitenvinding.