Samenvatting
Ter staving van de inkomsten van haar partner legde de verzoekende partij loonbrieven als zelfstandige voor opgesteld door haar partner.
De verwerende partij weerhoudt deze inkomsten niet om reden dat de loonbrieven een gesolliciteerd karakter hebben. De verzoekende partij is het hier niet eens mee en meent dat de voorliggende loonfiches dezelfde bewijswaarde hebben als loonfiches opgesteld door een werkgever.
Een loonfiche van een werkgever wordt door een sociaal secretariaat opgesteld op basis van objectieve gegevens die door de werkgever worden overgemaakt. De loontrekkende kan deze gegevens niet beïnvloeden. In casu worden de loonfiches opgesteld door de partner van de verzoekende partij, die tevens ook de loontrekkende is. De verwerende partij kan gevolgd worden waar zij aangeeft dat loonbrieven opgesteld door een zelfstandige een gesolliciteerd karakter hebben, op voorwaarde dat geen bijkomende bewijzen worden aangeleverd van effectieve financiële transacties. Eenieder kan verklaren zichzelf een loon uit te betalen. Indien er echter naast deze loonbrieven ook bv. rekeninguittreksels zouden voorliggen waaruit zou blijken dat de zelfstandige echtgenoot zich daadwerkelijk maandelijks het vooropgestelde loon zou uitkeren, dan kan nog moeilijk weerhouden worden dat de loonbrieven niet objectief zouden zijn. In casu werden echter geen bewijzen van financiële transacties overgemaakt zodat de Raad van oordeel is dat het standpunt van de verwerende partij niet kennelijk onredelijk is. Immers ligt in casu geen enkel bewijs voor dat de zelfstandige partner van de verzoekende partij zich daadwerkelijk een netto loon van 1564,23 euro uitbetaalt.
Waar de verzoekende partij meent dat het aan de verwerende partij toekwam om bijkomende inlichtingen te vragen, kan zij niet worden gevolgd. Het zorgvuldigheidsbeginsel legt de overheid de verplichting op haar beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding (RvS 14 februari 2006, nr. 154.954; RvS 2 februari 2007, nr. 167.411). De verzoekende partij is diegene die om een gunst verzoekt, met name het verkrijgen van een verblijfskaart. Bij de aanvraag werd aan de verzoekende partij gevraagd om het bewijs te leveren van voldoende en regelmatige bestaansmiddelen van de Belg. Het komt dan ook aan de verzoekende partij toe om haar aanvraag zo volledig mogelijk te stofferen. In casu gaat de verzoekende partij er volledig aan voorbij dat de zorgvuldigheidsplicht ook op haar rust. Het blijkt niet, en de verzoekende partij maakt ook niet aannemelijk dat zij niet in de mogelijkheid was om de nodige stukken bij te brengen, noch dat zij niet moest weten dat zij die stukken moest bijbrengen in het licht van het gestelde in artikel 40ter van de vreemdelingenwet.
Evenmin kan de verzoekende partij worden gevolgd waar ze vooropstelt dat de verwerende partij in casu een behoefteanalyse diende te doen.
Artikel 42, § 1, lid 2 van de vreemdelingenwet luidt als volgt:
“Indien aan de voorwaarde betreffende de stabiele en regelmatige bestaansmiddelen bedoeld in artikel 40bis, § 4, tweede lid en in artikel 40ter, tweede lid, niet voldaan is, dient de minister of zijn gemachtigde, op basis van de eigen behoeften van de burger van de Unie die vervoegd wordt en van zijn familieleden te bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden. De minister of zijn gemachtigde kan hiervoor alle bescheiden en inlichtingen die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn, doen overleggen door de vreemdeling en door elke Belgische overheid.”
In casu is de verwerende partij echter van oordeel dat er geen bewijs van een inkomen voorligt. Een behoefteanalyse, zoals bedoeld in de voormelde bepaling, is enkel noodzakelijk wanneer er een inkomen wordt aangetoond doch waarbij wordt vastgesteld dat dit inkomen niet toereikend is of wanneer dit inkomen niet stabiel en regelmatig is. In casu wordt geen inkomen aangetoond vermits de loonbrieven opgesteld door de zelfstandige partner op zich geen bewijs vormen van een bestaand inkomen voor de zelfstandige partner. Gelet op het ontbreken van enig bewijs hiervan diende de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris niet over te gaan tot een beoordeling van welke bestaansmiddelen de familieleden nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden, in toepassing van artikel 42, § 1 van de vreemdelingenwet. De gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris diende in casu geen verdere “behoefteanalyse” te doen in toepassing van artikel 42, § 1 van de vreemdelingenwet. Bij gebreke aan in aanmerking te nemen inkomsten, dienen geen uitgaven te worden nagegaan. Nu geen onderzoek in toepassing van artikel 42, § 1 van de vreemdelingenwet moest worden verricht, was de verwerende partij er niet toe gehouden hieromtrent te motiveren. De schending van de artikelen 42, § 1 en 40ter van de vreemdelingenwet kan niet worden vastgesteld.