Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 142.337 - 30-03-2015

Samenvatting

In casu heeft de gemachtigde op de in de onderliggende aanvraag door de verzoekers naar voor gebrachte argumentatie omtrent het gegeven dat het oudste kind hier naar school gaat, de instabiele situatie in Egypte, de leefwereld van de kinderen die zich hier zou bevinden, omtrent de verwijzing naar artikel 24, 51 en 52 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en naar artikel 6 van de Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn), de verwijzing naar artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag en de argumentatie dat de verzoekers geen gevaar voor de openbare orde of veiligheid vormen en dat zij zich niet hebben bezondigd aan manifeste en opzettelijke fraude, slechts geantwoord dat al deze elementen niet als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9bis van de vreemdelingenwet kunnen worden aanvaard omdat de verzoekers vallen onder de gelding van een inreisverbod van drie jaar dat hen werd afgeleverd op 8 juli 2013 en dat werd betekend op 12 februari 2014, zodat de verzoekers niet het recht hebben om zich op het Belgisch grondgebied te bevinden.
 
De betrokken inreisverboden van 8 juli 2013 werden echter vernietigd bij ’s Raads arrest nr. 142.336 van 30 maart 2015. De Raad wijst er op dat de vernietiging van de beslissingen van 8 juli 2013 waarbij aan elk van de verzoekers een inreisverbod van drie jaar werd opgelegd, tot gevolg heeft dat deze akten met retroactieve kracht uit het rechtsverkeer verdwijnen en dus geacht worden nooit te hebben bestaan.
De Raad stelt vast dat de thans bestreden beslissing uitdrukkelijk en op decisieve wijze is gesteund op deze vernietigde beslissingen van 8 juli 2013 tot het opleggen van een inreisverbod aan beide verzoekers. Het is immers op de enkele grond van de geldingskracht van deze inreisverboden dat wordt besloten dat de voornoemde in de aanvraag aangehaalde elementen niet als een buitengewone omstandigheid kan worden aanvaard in de zin van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. De verdere redengeving omtrent artikel 8 van het EVRM kan de besteden beslissing niet op zich dragen aangezien alsdan geen enkele motivering voorligt met betrekking tot de volgende elementen: “de gegeven dat het oudste kind naar school gaat, de verwijzing naar de instabiele situatie in Egypte, de leefwereld van de kinderen zou zich hier bevinden, de verwijzing naar artikel 24 , 51 en 52 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en naar artikel 6 van van de Richtlijn 2008/115/EG, de verwijzing naar artikel 3 van het kinderrechtenverdrag, geen gevaar voor de openbare orde of veiligheid en geen manifeste en opzettelijke fraude”.