Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 143.629 - 20-04-2015

Samenvatting

De Raad benadrukt dat wat betreft het “ten laste” zijn van de referentiepersoon, er geen wettelijke bewijsregeling voorhanden is en het bewijs van het vervuld zijn van de voorwaarden aldus vrij is. Deze vrije feitenvinding en -appreciatie impliceert dat de bevoegde administratieve overheid discretionair oordeelt of de verzoekende partij het bewijs van de voorwaarden levert. Hierop oefent de Raad een marginale wettigheidstoetsing uit. Voorts sluit de redactie van artikel 40bis, §2, eerste lid, 3° juncto artikel 40ter van de vreemdelingenwet niet uit dat de verzoekende partij moet aantonen ook gedurende de periode dat haar aanvraag nog loopt, ten laste te zijn van haar vader. Er is immers in artikel 40bis, §2, eerste lid, 3° van de vreemdelingenwet sprake van bloedverwanten in neerdalende lijn “die te hunnen laste zijn”.
 
Deze vaststelling dringt zich des te meer op aangezien artikel 40ter van de vreemdelingenwet, dat te dezen van toepassing is omdat de verzoekende partij de zoon is van een Belgische onderdaan, duidelijk en uitvoerig gewag maakt van de verplichting voor de Belgische onderdaan om te beschikken over voldoende bestaansmiddelen om de descendent, zijnde de in artikel 40bis, §2, eerste lid, 3° van de vreemdelingenwet bedoelde vreemdeling, te zijnen laste te nemen. Nergens kan worden gelezen dat deze verplichting om te beschikken over voldoende bestaansmiddelen enkel zou slaan op het ten laste nemen van de descendent in het land van oorsprong. Zelfs indien een descendent van een EU-onderdaan slechts zou dienen aan te tonen dat zij te zijnen laste geweest is en ten laste is op het moment van het indienen van de aanvraag, kunnen voor descendenten van Belgische onderdanen strengere voorwaarden gelden. Uit het arrest met nummer 123/2013 van 26 september 2013 van het Grondwettelijk Hof blijkt alleszins globaal dat ten aanzien van een Belg striktere voorwaarden inzake gezinshereniging kunnen worden opgelegd dan ten aanzien van een niet-Belgische Europese burger.
 
Om aan te tonen dat hij in het verleden ten laste is geweest van de referentiepersoon, legde verzoeker bewijzen van bankstortingen en volmacht voor het innen van zijn vaders pensioengelden in Turkije.
 
De verwerende partij oordeelde dat deze stukken niet toelaten te concluderen dat hij in het verleden ten laste was van zijn vader, aangezien verzoeker in de maanden voorafgaand aan de beslissing quasi onafgebroken tewerkgesteld was. Uit een afdruk van 14 november 2014 uit de Dolsis-databank blijkt inderdaad dat verzoeker sinds juni 2014 aan het werk is als uitzendkracht. Dit wordt door verzoeker niet betwist.
 
Voorts acht de Raad het niet kennelijk onredelijk dat de verwerende partij in het kader van een aanvraag van een descendent van een Belgische onderdaan oordeelt dat het bewijs van diens eigen inkomsten aantoont dat deze niet ten laste is van de Belgische onderdaan. De aanvraag wordt beoordeeld op het ogenblik dat de bestreden beslissing wordt genomen en niet, zoals verzoeker aanvoert, enkel aan de hand van de gegevens die door verzoeker werden aangebracht bij het indienen van de aanvraag. Er zo over oordelen zou ertoe leiden dat het enkele feit dat de aanvrager in het verleden ooit ten laste is geweest van de Belgische ascendent, zou volstaan om het verblijfsrecht vast te stellen op overeenkomstig artikel 40bis, §2, eerste lid, 3° van de vreemdelingenwet. Verzoekers betoog komt er in wezen op neer dat hij, eens in het bezit gesteld van een attest van immatriculatie dat het voorlopig verblijf dekt gedurende de loop van het onderzoek, niet langer aan de voorwaarden van het ingeroepen verblijfsrecht moet voldoen. Een dergelijk standpunt is de negatie zelf van het bestaan van wettelijke verblijfsvoorwaarden en kan dan ook niet worden bijgetreden.
 
Voorts legt de verwerende partij de verzoekende partij geenszins een bijkomende voorwaarde op die niet bij wet zou zijn voorzien, doch geeft slechts een redelijke invulling aan de voorwaarde die door de wetgever is vooropgesteld. Er anders over oordelen zou de essentie van de vestigingswetgeving miskennen, nu deze erop gericht is gezinshereniging toe te staan voor descendenten van Belgische onderdanen, voor zover ze principieel aantonen hulpbehoevend te zijn van de Belgische ascendent en niet zelf in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.