Samenvatting
Overeenkomstig artikel 26 van de vreemdelingenwet legt een terugwijzingsbesluit een vreemdeling het “verbod op gedurende tien jaar het Rijk binnen te komen, tenzij [het] opgeschort of ingetrokken [wordt]”. Verder kan worden verwezen naar artikel 46bis van de vreemdelingenwet, waaruit blijkt dat een familielid van een burger van de Unie ten vroegste twee jaar nadat het besluit tot uitzetting werd uitgevoerd een opheffings- of opschortingsaanvraag kan indienen, doch dat de betrokken vreemdeling gedurende de behandeling van deze aanvraag geen recht van toegang of verblijf in het Rijk heeft. Het bestaan van een besluit tot uitzetting – dat niet werd opgeheven of opgeschort – verhindert dat de betrokken persoon een verblijfsrecht als familielid van een burger van de Unie laat gelden (RvS nr. 221 633 van 4 december 2012). De terugwijzing betreft immers een in de vreemdelingenwet voorziene maatregel van openbare orde die in overeenstemming is met artikel 43 van de vreemdelingenwet en de beslissing tot weigering van een verblijfsrecht aan een familielid van een burger van de Unie kan gronden.
Waar verzoeker aanvoert dat de verblijfsaanvraag impliciet eveneens een verzoek tot opheffing van het terugwijzingsbesluit inhoudt, wijst de Raad er op dat het bestaan van een besluit tot terugwijzing, dat niet werd opgeheven of opgeschort, met zich meebrengt dat het verzoeker voor de duur van het ministerieel besluit verboden is in het Rijk te verblijven, zelfs tijdens het onderzoek van een aanvraag tot opheffing of opschorting van het ministerieel besluit (cf. RvS 4 december 2012, nr. 221.633) en hem aldus geen recht op verblijf van meer dan drie maanden als familielid van twee Belgische kinderen kan worden erkend. Het enkele feit dat verzoeker tegelijk heeft gevraagd om het terugwijzingsbesluit te doen opschorten of opheffen, doet – gelet op bovenstaande wetsbepaling en rechtspraak waaruit duidelijk blijkt dat het louter indienen van een dergelijk verzoek geen recht op verblijf opent, evenmin gedurende het onderzoek van dit verzoek – hieraan geen afbreuk.
De terugwijzing is een in de vreemdelingenwet voorziene maatregel van openbare orde die er dan ook niet mee in strijd is met artikel 42 van de vreemdelingenwet en die dus de beslissing tot weigering van een verblijfsrecht aan een familielid van een burger van de Unie, kan gronden.
Waar verzoeker aanvoert dat hij in zijn aanvraag van 16 juli 2014 eveneens om de opheffing heeft verzocht van het terugwijzingsbesluit, legt de verwerende partij naar aanleiding van de terechtzitting een kopie van een beslissing neer d.d. 21 april 2015 waaruit blijkt dat dit verzoek tot opschorting of tot intrekking werd verworpen. Aangezien dit een afzonderlijke beslissing vormt, die niet het voorwerp uitmaakt van het huidige beroep, is het middel, in de mate het gericht is tegen de beslissing tot terugwijzing, onontvankelijk.