Samenvatting
Het verblijf van de verzoekende partij in België en de daaruit voortvloeiende integratie en sociale bindingen zijn elementen die de gegrondheidsfase betreffen. Vaste rechtspraak van de Raad van State stelt “dat echter omstandigheden die bijvoorbeeld betrekking hebben op de lange duur van het verblijf in België, de lange duur van de asielprocedure, de goede integratie, het zoeken naar werk, het hebben van vele vrienden en kennissen, de gegrondheid van de aanvraag betreffen en derhalve niet kunnen verantwoorden waarom deze in België, en niet in het buitenland, is ingediend” (RvS 9 december 2009, nr. 198.769).
De verwerende partij betwist voornoemde rechtspraak van de Raad van State in de bestreden beslissing niet, in die zin dat zij in de bestreden beslissing toegeeft dat het mogelijk is dat integratie tot de gegrondheid van een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet kan leiden. De verwerende partij motiveert echter niet waarom de, in casu niet betwiste, integratie niet tot de gegrondheid van de aanvraag leidt. De motivering dat “Een goede integratie en een langdurig verblijf elementen (zijn) die een grond kunnen vormen voor een verblijfsrecht, maar niet moeten vormen. (RvS arrest 133.915 dd. 14.07.2004) De elementen aangaande de integratie en de duur van het verblijf brengen bijgevolg geen automatisch verblijfsrecht met zich mee” is geen afdoende motivering, in die zin dat deze motivering de verzoekende partij in casu niet in staat stelt te begrijpen waarom de elementen van integratie niet werden aanvaard. Het motief dat “Het immers normaal (is) dat betrokkene in afwachting van een beslissing in het kader van zijn asielprocedure en zijn aanvraag art. 9ter zijn tijd in België zo goed mogelijk probeerde en probeert te benutten” doet hier niets aan af. Het feit dat het volgens de verwerende partij normaal zou zijn dat de verzoekende partij zich in afwachting van de beslissing integreert, doet immers niets af aan bovenstaande rechtspraak van de Raad van State.
De verwerende partij stelt in de nota met opmerkingen dat de plicht tot uitdrukkelijke motivering evenwel niet inhoudt dat de beslissende administratieve overheid “verder” dient te motiveren, zodat derhalve de uitdrukkelijke motivering niet inhoudt dat de beslissende overheid voor elke overweging in haar beslissing “het waarom” of “uitleg” dient te vermelden. Dit doet echter niets af aan het feit dat bovenstaande motivering, waar de verwerende partij als motief geeft dat integratie ‘normaal’ is, en dat integratie tot gegrondheid van een aanvraag ‘kan maar niet moet’ leiden, de verzoekende partij niet in staat stelt te begrijpen waarom haar niet betwiste integratie in casu niet werd weerhouden.