Samenvatting
Uit voormelde informatie blijkt, zoals de verwerende partij ook aanhaalt in de bestreden beslissing, dat Dublinterugkeerders nu toegang tot de asielprocedure krijgen alsook dat er een volledig onderzoek van hun asielaanvraag is. De verwerende partij is dan ook van mening dat er geen reden is om aan te nemen dat dit voor de verzoekende partij, wiens asielaanvraag nog niet het voorwerp was een definitieve beslissing, niet het geval zal zijn.
Echter gaat de verwerende partij voorbij aan de volgende zinnen van de desbetreffende paragraaf waaruit blijkt dat als een asielzoeker een aanvraag indient na intrekken van een vorige aanvraag (stilzwijgend of geschreven) en de navolgende aanvraag ontoelaatbaar of manifest ongegrond wordt bevonden, gerechtelijke voorziening tegen deze beslissing niet automatisch leidt tot de schorsing van de terugkeer. Gerechtelijke voorziening tegen een verwerping of afwijzing van navolgende aanvraag ingediend na een definitieve weigering of een definitieve niet-verderzetting van de procedure heeft geen schorsend effect, als de Hongaarse overheid of de rechtbank beslist had dat het verbod van refoulement niet van toepassing was.
Uit deze paragraaf blijkt prima facie dat een stilzwijgende of geschreven intrekking van de aanvraag mogelijk is en dat na een dergelijke intrekking, een aanvraag beschouwd wordt als een navolgende aanvraag, alsook dat een navolgende aanvraag kan na een definitieve weigering of een definitieve niet-verderzetting.
Hoewel het niet duidelijk is wat onder een ‘gesloten zaak’ dient begrepen te worden, wordt in het AIDA-rapport aangegeven dat er sprake is van een navolgende asielaanvraag na een definitieve niet-verderzetting van de procedure alsook na een stilzwijgende of geschreven intrekking van de aanvraag. Hieruit blijkt dat een navolgende asielaanvraag mogelijk is zonder dat een ten gronde onderzoek van het asielrelaas is gebeurd naar aanleiding van de eerste asielaanvraag.
Gelet op de (gebrekkige) informatie over de procedure inzake Dublinterugkeerders in Hongarije, over wat dient begrepen te worden onder een ‘gesloten zaak’ en wanneer een aanvraag van een Dublinterugkeerder wordt beschouwd als een navolgende aanvraag alsook wat onder meer dient begrepen te worden onder ‘niet-verderzetting’, en gelet op de informatie in het terugnameakkoord dat stelt dat de asielprocedure van de verzoekende partij werd stopgezet, stelt de Raad vast dat de verwerende partij er prima facie niet zonder meer kon van uitgaan dat de aanvraag van de verzoekende partij nog geen voorwerp uitmaakte van een definitieve beslissing, zodat de bestreden beslissing gesteund op dergelijke veronderstelling, gebrekkig is.
Waar de verwerende partij in de bestreden beslissing verwijst naar een rapport van het UNHCR van december 2012 waaruit blijkt dat asielaanvragen van Dublinterugkeerders die nog niet onderzocht en beslist werden in Hongarije, zijnde de zaken waarvoor nog geen definitieve ten gronde beslissing over de grond van de aanvraag tot internationale bescherming werd genomen, onderworpen worden aan een ten gronde onderzoek bij hun terugkeer, indien zij een formele aanvraag tot het hervatten van het onderzoek van hun eerder ingediende aanvraag indienen, stelt de Raad vast dat het AIDA-rapport van recentere datum is zodat de verwerende partij niet dienstig naar het rapport van het UNCHR inzake kan verwijzen, nu de erin opgenomen informatie genuanceerd wordt in het AIDA-rapport. In zoverre de verwerende partij, betreffende de toegang tot de procedure, verwijst naar het AIDA-rapport (up-to-date tot 30.04.2014) stelt de Raad vast dat zij zich niet baseert op de recentste versie van dit rapport, hoewel blijkt dat zij kennis heeft van de meer recente versie, zoals blijkt uit de bestreden beslissing zelf en de stukken van het administratief dossier. Voorts indien dit enkel een materiële vergissing betreft en de verwerende partij wel degelijk naar het meest recente AIDA-rapport wenste te verwijzen, herhaalt de Raad dat zij zich beperkt tot de lezing van de zin “Dublin returnees are now guaranteed access to the asylum procedures and to a full examination of their asylum claim”, doch voorbijgaat aan de volgende zinnen in de desbetreffende paragraaf. In zoverre de verwerende partij verwijst naar het AIDA-rapport betreffende het opsluiten van asielzoekers wanneer hun aanvraag volledig behandeld is waarbij uiteengezet wordt wat een volledige behandeling is,( i.e. an in-merit negative decision - including manifestly unfounded applications - or withdrawal of the application in writing”), wijst de Raad er vooreerst op dat deze bemerkingen gemaakt worden met betrekking tot detentie en niet betreffende de toegang tot de asielprocedure.
Uit het AIDA-rapport blijkt prima facie dat de gevolgen van het beschouwen van een asielaanvraag van een Dublinterugkeerder als een navolgende asielaanvraag, er onder meer in bestaan dat als een persoon Hongarije verlaten heeft nadat haar asielaanvraag verworpen werd en de persoon geen beroep instelde, de derde paragraaf van artikel 18 (2) van de Dublin verordening wordt toegepast maar alleen als de persoon terugkeert tijdens de beroepstermijn om een beroep in te dienen, dat dit vooral problematisch is in zaken waar de verwerping werd uitgesproken in afwezigheid en de persoon hiervan aldus niet op de hoogte was en geen beroep kon instellen, zodat dergelijke terugkeerders een navolgende aanvraag moeten indienen en geen recht hebben op opvangmogelijkheden en de beroepsprocedure tegen de verwerping of niet verderzetting van de navolgende asielaanvraag geen schorsende werking heeft ten aanzien van het land van verwijdering.
Er kan dus prima facie niet zonder meer gesteld worden dat het asielverzoek van de verzoekende partij door de Hongaarse autoriteiten zal behandeld worden volgens de standaarden die voortvloeien uit het gemeenschapsrecht.
De Raad stelt vast dat prima facie niet blijkt dat de bestreden beslissing gebaseerd op een correcte en zorgvuldige feitenvinding.