Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 148.663 - 26-06-2015

Samenvatting

Desondanks de hogere vaststellingen in het kader van de vluchtelingenstatus aangaande verzoeksters asielrelaas, waaronder deze met betrekking tot de vader van haar dochter (Y.S.), dient vastgesteld dat verzoekster een alleenstaande vrouw is met een buitenhuwelijks kind. In de geboorteakte van haar dochter (zie map ‘Documenten’ in het administratief dossier) wordt immers enkel verzoekster genoemd als moeder en wordt er geen melding gemaakt van de vader. Verder bevindt er zich in het administratief dossier geen enkel stuk waaruit blijkt dat verzoekster (officieel) gehuwd is. Uit de door haar bijgebrachte informatie van UNHCR (verzoekschrift, stuk 10) blijkt dat alleenstaande vrouwen met een buitenhuwelijks kind in Noord-Irak een kwetsbaar profiel hebben: “Women at risk of “honour crimes” at the hands of their familiy are extremely vulnerable, as they have lost “the primary source of protection and support”. Their options are very limited and include shelters, prisons or the home of another relative or influential community leader. In the Kurdistan Region, local authorities and NGOs have established several shelters with limited capacity. While these shelters can, for a limited time, provide physical protection as well as social, legal and psychological counselling, they generally do not offer a durable solution. Observers indicate that, unless shelter staff, law enforcement or community leaders reach a mediated agreement with the women’s family (e.g., a couple obtains the family’s agreement to marry, and the family commits not to harm her) the woman had no prospects for a future outside the shelter. However, reports indicate that there is a significant risk that even if a family pledges not to harm the woman upon return from the shelter, her rights might still be infringed or she may be killed. In the cases of (alleged) adultery, the family’s decision to kill the woman in order to “cleanse” the family’s honour can generally not be reversed through mediation, and the woman has no other option but to remain in the shelter.” Uit de door verweerder aan zijn nota met opmerkingen toegevoegde COI Focus “Irak. De veiligheidssituatie in Noord-Irak” (bijlage 1) blijkt bovendien dat er zich heden een grote groep IDP’s bevindt in Noord-Irak (900.000 eind december 2014), waardoor kan worden aangenomen dat de huidige mogelijkheden voor vrouwen om gebruik te maken van de weinige beschermingsmogelijkheden van de shelters, zoals deze blijkt uit de hoger geciteerde informatie, nog meer in het gedrang komen. Deze IDP’s maken blijkens voormelde COI Focus immers gebruik van kampen, scholen, leegstaande gebouwen en parken. Ook de hoeveelheid mensen en middelen die moeten worden ingezet om een dergelijke groep IDP’s op te vangen, maakt dat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de beschermingsmogelijkheden waarover verzoekster in casu zou kunnen beschikken, niet meer optimaal functioneren. Hoewel verzoekster er niet in slaagt duidelijkheid te verschaffen over de vader van (Y.S.) (zie supra), kan in casu, mede gelet op de situatie ter plaatse met een enorme toestroom van IDP’s in Noord-Irak, redelijkerwijze worden aangenomen dat verzoekster prima facie afdoende aannemelijk maakt dat zij als alleenstaande vrouw met een buitenhuwelijkse dochter een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 48/4, § 2, b) van de vreemdelingenwet ingeval van terugkeer naar haar land van herkomst.
 
Hieraan voegt zich bovendien het feit toe dat verzoeksters dochter (Y.S.) niet de Iraakse nationaliteit bezit en, zoals blijkt uit de informatie die verzoekster dienaangaande bijbrengt (verzoekschrift, stukken 9 en 11) en die in verweerders nota met opmerkingen bevestigd wordt, moeilijkheden zal kennen om deze nationaliteit (eventueel) te verkrijgen. Zodoende bevindt verzoeksters dochter zich in casu eveneens in een precaire situatie.
 
Gelet op artikel 48/4, § 2, b) van de vreemdelingenwet, op de situatie ter plaatse met een enorme toestroom van IDP’s in Noord-Irak en op zowel het kwetsbaar profiel van verzoekster als alleenstaande vrouw met een buitenhuwelijks kind in het Koerdisch gebied in Noord-Irak, als op het precair profiel van haar  dochter omwille van het feit dat zij mogelijks niet de Iraakse nationaliteit kan bekomen, dient in casu in hoofde van verzoekster de subsidiaire beschermingsstatus te worden toegekend.