Samenvatting
De verwerende partij werpt in haar nota met opmerkingen een exceptie op van niet ontvankelijkheid van het beroep wegens laattijdigheid. De verwerende partij stelt in haar nota het volgende:
“Verweerder laat gelden dat ingevolge de recente wetswijzigingen bij Wet van 10.04.2014, in werking getreden op 31.05.2014, artikel 39/57 derde lid Vreemdelingenwet als volgt luidt:
“(…)”
In casu werd de bestreden beslissing betekend op 10.07.2015, terwijl de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid pas werd ingediend bij verzoekschrift van 17.07.2015.
De vordering is laattijdig ingediend, nu de laatst nuttige dag om een vordering tot schorsing bij uiterste dringende noodzakelijkheid in te dienen 15.07.2015 was.
Om die redenen is de vordering onontvankelijk.”
Artikel 39/57, §1, derde lid van de vreemdelingenwet bepaalt het volgende:
“De in artikel 39/82, § 4, tweede lid, bedoelde vordering wordt ingediend bij verzoekschrift binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze gericht is. Vanaf een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel wordt de termijn teruggebracht tot vijf dagen.”
De verwerende partij voert in haar exceptie aan dat de gereduceerde termijn van 5 dagen zou gelden omdat het om een tweede verwijderingsmaatregel zou gaan.
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de verwerende partij in haar exceptie niet verduidelijkt welke eerdere verwijderingsmaatregel een reductie van de termijn zou kunnen verantwoorden. Ter terechtzitting verwijst de raadsvrouw van de verwerende partij naar de bestreden beslissing waaruit zou blijken dat er aan verzoeker 21 september 2012 een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend.
De Raad stipt echter aan dat verzoeker op 19 maart 2013 een aanvraag om machtiging tot verblijf heeft ingediend waarin argumenten worden aangehaald die verband houden met artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM). Gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) dienen de beroepsmogelijkheden garanties te bieden op het vlak van toegankelijkheid, kwaliteit, snelheid en schorsend effect, waarbij er slechts sprake is van een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM wanneer het beroep van aard is om te vermijden dat de schade daadwerkelijk ontstaat (cf. EHRM, 7 juli 2015, V.M. en anderen/België, §§ 197-202). In het licht van deze rechtspraak lijkt het bezwaarlijk verantwoord om de beroepstermijn in casu op grond van de hierboven vermelde bepaling tot vijf dagen terug te brengen. De eerdere verwijderingsmaatregel dateert immers van bijna 3 jaar voor de huidige waardoor ondertussen bepaalde aanspraken zouden kunnen ontstaan die niet kunnen worden onderzocht.
De exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione temporis dient te worden verworpen.