Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 149.870 - 22-07-2015

Samenvatting

Uit de stukken van het administratief dossier volgt dat verzoeker en zijn gezin inderdaad niet binnen de voorziene termijn gevolg gaven aan de bevelen om het grondgebied te verlaten van 14 mei 2014 die hen op 15 mei 2014 bij aangetekend schrijven ter kennis werden gebracht. Verweerder neemt aan dat deze bevelen op 19 mei 2014 ter kennis waren van verzoeker en zijn gezin, waardoor zij op 18 juni 2014 het grondgebied dienden te hebben verlaten. Er werd hen immers een termijn van dertig dagen voor vrijwillig vertrek toegekend.
 
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt evenwel eveneens dat verzoeker en zijn gezin op 7 juli 2014 een derde aanvraag indienden om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. Hierbij werden medische stukken voorgelegd van 16 juni 2014 – en dus nog tijdens de toegekende termijn voor vrijwillig vertrek – dat verzoekster van 30 mei 2014 tot 6 juni 2014 diende te worden gehospitaliseerd en dat tijdens deze hospitalisatie aan het licht kwam dat de halstumor van de echtgenote nu ook gepaard ging met longmetastasen. De behandelde arts stelde dat de echtgenote naast radiotherapie nu ook chemotherapie diende te volgen en dat verder onderzoek was vereist en was gepland en de nieuwe therapie zo snel mogelijk gestart diende te worden. De behandelde arts wees er ook op dat het uitermate belangrijk was dat de echtgenote door hetzelfde team van specialisten kon worden begeleid en de echtgenote op dat ogenblik niet kon reizen naar het land van herkomst, omdat ze zo snel mogelijk diende te worden behandeld.
 
De verblijfsaanvraag van 7 juli 2014 werd op 8 augustus 2014 ontvankelijk verklaard en verweerder besliste dat het gezin in het bezit mocht worden gesteld van een attest van immatriculatie in toepassing van artikel 7, tweede lid van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Deze beslissing kon niet ter kennis worden gebracht van de echtgenote, nu zij op 5 augustus 2014 in kritieke toestand was opgenomen in het ziekenhuis. Het in dit verband voorgelegde medische attest van 17 augustus 2014 stelde dat zij op dat ogenblik nog steeds in levensgevaar was.
 
Inzake het betoog van verzoeker dat hij en zijn gezin een wettige reden hadden om geen gevolg te geven aan de eerdere bevelen om het grondgebied te verlaten van 14 mei 2014, stelt de Raad inderdaad vast dat reeds tijdens de termijn voor vrijwillig vertrek een hospitalisatie noodzakelijk bleek, waarbij een verslechtering van de gezondheidstoestand van de echtgenote werd vastgesteld nu er sprake was van longmetastasen. Een nieuwe therapie, onder meer chemotherapie, drong zich op en diende snel te worden gestart volgens de behandelde arts en zij achtte het uitermate belangrijk dat de echtgenote door hetzelfde team van specialisten in België kon worden begeleid. Zij was tevens van oordeel dat reizen op dat ogenblik niet aan de orde was. Door de vervolgens ingediende verblijfs-aanvraag op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet ontvankelijk te verklaren, en te beslissen dat het gezin in het bezit mocht worden gesteld van een tijdelijke verblijfstitel, erkende verweerder in wezen ook reeds dat er in hoofde van het gezin op dat ogenblik gerechtvaardigde redenen voorhanden waren dat zij nog geen gevolg gaven aan de eerdere bevelen om het grondgebied te verlaten, gelet op de nieuwe, verslechterde gezondheidstoestand van de echtgenote waaromtrent een nieuwe onderzoek ten gronde zich opdrong. Verweerder erkende dat verzoeker en zijn gezin gerechtigd waren om de uitkomst van hun derde verblijfsaanvraag op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet op het Belgische grondgebied af te wachten. Er blijkt niet dat verweerder in deze situatie in redelijkheid op dezelfde dag dat hij de verblijfsaanvraag op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet alsnog ongegrond verklaart zonder meer een bevel om het grondgebied te verlaten zonder termijn voor vrijwillig vertrek kan gegeven en een inreisverbod kan opleggen onder verwijzing naar de vaststelling dat niet binnen de toegekende termijn gevolg werd gegeven aan de eerdere bevelen om het grondgebied te verlaten en al zeker niet dat het bestuur de duur van het inreisverbod kan rechtvaardigen door te stellen dat verzoeker zijn verblijf op het Belgische grondgebied tracht te verlengen door na het eerdere bevel om het grondgebied te verlaten nog een derde aanvraag op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet in te dienen. Ten overvloede wijst de Raad er ook nog op dat een vreemdeling niet terzelfdertijd kan onderworpen zijn aan een bevel om het grondgebied te verlaten en beschikken over een tijdelijke verblijfstitel. De latere, zelfs tijdelijke, verblijfstitel impliceert de opheffing van een eerder bevel om het grondgebied te verlaten, waardoor verweerder ook niet dienstig kan voorhouden dat bij het verstrijken van een attest van immatriculatie eerdere bevelen om het grondgebied te verlaten opnieuw uitvoerbaar worden (cf. RvS 28 augustus 2008, nr. 185.895; RvS 30 september 2009, nr. 196.530; RvS 16 december 2014, nr. 229.575).
 
Verzoeker betoogt daarnaast eveneens dat verweerder bij het nemen van de bestreden beslissingen volledig is voorbijgegaan aan de inhoud van het dossier, waaronder het gegeven dat ten tijde van de ontvankelijkheidsbeslissing van 8 augustus 2014 zijn echtgenote leed aan een dermate vergevorderde pathologie van uitgezaaide kanker dat zij zelfs niet meer in staat was om persoonlijk deze beslissing in ontvangst te nemen. De Raad stelt in dit verband vast dat verweerder op 19 augustus 2014 door een personeelslid van de stad Lier belast met de kennisgeving van voormelde beslissing in kennis werd gesteld van een medisch attest van 17 augustus 2014 dat de echtgenote sinds begin augustus in het ziekenhuis was opgenomen in kritieke toestand en zij ten tijde van het opstellen van het attest nog steeds in levensgevaar verkeerde. De Raad kan enkel vaststellen dat dit medisch attest dat voorhanden is in het administratief dossier blijkbaar volkomen werd genegeerd door verweerder. Zo blijkt niet dat verweerder dit stuk bijkomend overmaakte aan de aangestelde ambtenaar-geneesheer, waardoor deze hiermee ook geen rekening kon houden bij het opstellen van zijn advies later die maand. Verweerder sloot zich vervolgens aan bij het medisch advies dat de ambtenaar-geneesheer opstelde – en waarbij deze ervan uit ging dat de echtgenote strikt medisch gezien kon reizen – om de verblijfs- aanvraag ongegrond te verklaren en ging over tot het nemen van de thans bestreden beslissingen, zonder nog acht te slaan op het laatste medisch attest dat de echtgenote in kritieke toestand is en op intensieve zorgen ligt. Dergelijke handelwijze – waarbij verweerder, zonder rekening te houden met het gegeven dat de echtgenote in kritieke toestand in het ziekenhuis ligt, verzoeker en zijn echtgenote een bevel om het grondgebied te verlaten met onmiddellijk vertrek geeft, gepaard gaande met een inreisverbod – is aangetast door een manifeste onzorgvuldigheid.