Samenvatting
De Raad kan de gemachtigde bijtreden waar deze in de bestreden beslissing stelt dat het aan de Dienst Vreemdelingenzaken toekomt om in het kader van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet te beoordelen of de begunstigde van een werkloosheidsuitkering op afdoende wijze heeft aangetoond actief werk te zoeken. Door in casu te stellen dat gezien het feit dat verzoeksters verblijfsaanvraag dateert van 22 september 2014, de voorgelegde bewijzen onvoldoende recent zijn om aan te tonen dat betrokkene actief naar werk zoekt, heeft de gemachtigde echter deze beoordelingsbevoegdheid in het kader van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet niet op redelijke wijze uitgeoefend. Naast sollicitatiebewijzen van haar echtgenoot voor de maanden januari en februari 2014 had verzoekster immers eveneens een positief evaluatieformulier overgemaakt voor de periode van 3 maart 2014 tot 19 september 2014, opgemaakt door de RVA op basis van informatie ontvangen op 23 oktober 2014, waarin met uitdrukkelijke verwijzing naar sollicitaties uitgevoerd door haar echtgenoot in de periode maart – september 2014 expliciet wordt gesteld dat betrokkene in die periode voldoende actief naar werk heeft gezocht. Het attest concludeert onder D. “Conclusie op basis van de overgemaakte informatie: de evaluatie is positief. Motivatie Meneer zoekt voldoende actief naar werk. Niet opgeven, de aanhouder wint.” Het loutere feit dat de bijlagen bij het evaluatieformulier van de RVA niet werden overgemaakt van de door de RVA bevestigde sollicitaties in de periode maart – september 2014, verantwoordt niet dat de gemachtigde bijgevolg de inhoud van het voorgelegde recente RVA-attest, volledig wantrouwt en de actualiteit van dit attest en van de geëvalueerde periode bij zijn beoordeling van het recente zoekgedrag naar werk van de echtgenoot van verzoekster op onredelijke wijze negeert.
Ook al herhaalt en benadrukt de Raad dat het aan de gemachtigde toekomt om in het kader van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet te beoordelen of de begunstigde van een werkloosheidsuitkering op afdoende wijze heeft aangetoond actief werk te zoeken, doch dient op redelijke wijze met voorgelegde attesten van betrouwbare bronnen, zoals de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, die op grond van de artikelen 59bis tot en met 59decies van het Koninklijk Besluit houdende de werkloosheidsreglementering van 25 november 1991 uitdrukkelijk bevoegd is voor de opvolging van het actief zoekgedrag naar werk van werklozen, rekening te worden gehouden. Nu verzoekster een evaluatieformulier van de RVA had voorgelegd, waarvan het de uitdrukkelijke bedoeling is het actieve zoekgedrag van verzoeksters echtgenoot te beoordelen, en waarin wordt verwezen naar sollicitaties uitgevoerd in de periode maart – september 2014 waarvan luidens dit evaluatieformulier bewijzen aan de RVA werden voorgelegd, kon de gemachtigde zich er niet op redelijke wijze toe beperken alleen de voorgelegde bijlagen uit januari en februari 2014 waaruit blijkt dat verzoeksters echtgenoot gesolliciteerd heeft voor bepaalde functies te aanvaarden als bewijzen van het actief zoeken naar werk om daaruit te besluiten dat verzoekster slechts bewijzen van het actief zoeken naar haar werk heeft voorgelegd voor de maanden januari en februari 2014. Dit terwijl uit de voorgelegde stukken immers sowieso, en dit naast het attest van de RVA, blijkt dat de echtgenoot wel degelijk ook nadien met succes actief naar werk heeft gezocht, nu hij immers ook 42 dagen tewerkstelling voor de maanden maart en april 2014 heeft voorgelegd, hetgeen de gemachtigde wel vermeldt in de opsomming van de voorgelegde bewijzen, maar niet meer betrekt in diens beoordeling van het recent karakter van het actief op zoek zijn naar werk.