Samenvatting
Uit artikel 40ter, tweede lid van de Vreemdelingenwet volgt dat de Belgische referentiepersoon moet beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen, waarbij rekening wordt gehouden met de aard en regelmatigheid van de voorgelegde bestaansmiddelen. Uit artikel 40ter van de Vreemdelingenwet kan echter niet worden afgeleid met welk soort van arbeidsovereenkomst een vreemdeling dergelijke bestaansmiddelen moet aantonen. Deze bepaling stelt enkel dat de bestaansmiddelen stabiel, toereikend en regelmatig moeten zijn. Er kan dan ook niet worden uitgesloten dat bestaansmiddelen die afkomstig zijn uit een tijdelijke tewerkstelling, wat een tewerkstelling op grond van artikel 60 van de OCMW-wet inderdaad in principe is, wel degelijk stabiel, toereikend en regelmatig kunnen zijn.
Voorts wordt in de bestreden beslissing gesteld dat zulke tewerkstelling in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet niet “garandeert” dat de betrokkene over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen beschikt. De Raad stelt evenwel vast dat in de Vreemdelingenwet nergens wordt gesteld dat stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen moeten worden “gegarandeerd”. Uit artikel 40ter van de Vreemdelingenwet volgt enkel dat deze bestaansmiddelen moeten worden “aangetoond”. Zoals eerder gesteld sluit een tijdelijke tewerkstelling niet uit dat de bestaansmiddelen die daaruit voortvloeien stabiel, toereikend en regelmatig zijn. Daarenboven moet worden opgemerkt dat zelfs een werknemer met een “klassieke” arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur niet in staat is om stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen voor de nabije toekomst te garanderen, aangezien een werknemer in grote mate afhankelijk is van zijn werkgever wat betreft het handhaven van zijn eigen werksituatie. Het komt de Raad dan ook voor dat de gemachtigde door het verblijf te weigeren omdat een tewerkstelling in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet niet “garandeert” dat de betrokkene, met name de Belgische moeder van verzoeker, beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen, artikel 40ter van de Vreemdelingenwet ruimer interpreteert dan de wetgever heeft voorzien.
Waar verweerder in de nota met opmerkingen stelt dat verzoeker met zijn betoog niet de vaststelling in de bestreden beslissing weerlegt dat de duur van dergelijke tewerkstelling nooit langer is dan de termijn nodig opdat de referentiepersoon opnieuw een volledige uitkering zou kunnen krijgen, wijst de Raad erop dat een tewerkstelling gebaseerd op artikel 60 van de OCMW-wet eveneens bedoeld is om de betrokkene terug in te schakelen in het arbeidsproces. De Raad stipt aan dat, indien deze herinschakeling in het arbeidsproces buiten tewerkstelling op grond van artikel 60 OCMW-wet zou falen, betrokkene dan werkloosheidsuitkeringen zou ontvangen. Het blijkt uit 40ter van de Vreemdelingenwet dat werkloosheidsuitkeringen niet a priori worden uitgesloten als stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen indien betrokkene actief naar werk zoekt. Hieruit kan worden afgeleid dat ook nadien de inkomsten van de referentiepersoon naar verwachting met regelmaat beschikbaar zullen zijn.
Deze doelstelling om de betrokkene terug in te schakelen in het arbeidsproces of in het stelsel van de sociale zekerheid vindt steun in artikel 60, § 7, eerste en tweede lid van de OCMW-wet waaruit blijkt:
"Wanneer een persoon het bewijs moet leveren van een periode van tewerkstelling om het volledige voordeel van bepaalde sociale uitkeringen te verkrijgen of teneinde de werkervaring van de betrokkene te bevorderen, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alle maatregelen om hem een betrekking te bezorgen, in voorkomend geval verschaft het deze vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te treden. De periode van de tewerkstelling bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen."
In tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt in de nota met opmerkingen, kan uit deze doelstelling van tewerkstelling op grond van artikel 60 OCMW-wet niet worden afgeleid dat de inkomsten die betrokkene ontvangt uit dergelijke tewerkstelling zouden moeten worden beschouwd als middelen verkregen uit een aanvullend bijstandsstelsel die overeenkomstig artikel 40ter, tweede lid, 2° van de Vreemdelingenwet niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de bestaansmiddelen. De Raad herhaalt dat uit artikel 40ter van de Vreemdelingenwet niet kan worden afgeleid met welk soort van arbeidsovereenkomst een vreemdeling het bestaan van stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen moet aantonen. In casu wordt niet betwist dat verzoekers moeder zich in het kader van artikel 60 OCMW-wet ertoe heeft verbonden tegen loon arbeid te verrichten voor een werkgever, namelijk het OCMW van Menen, en dit werk onder zijn gezag uit te voeren, zodat er wel degelijk sprake is van tewerkstelling met een arbeidsovereenkomst zoals verzoeker aanvoert. Gelet op de doelstelling van de bestaansmiddelenvereiste in artikel 40ter van de Vreemdelingenwet, namelijk vermijden dat de gezinshereniger en zijn gezin ten laste zouden vallen van de openbare overheden, kan verzoeker bovendien worden gevolgd waar hij lijkt te menen dat het van weinig consistentie zou getuigen wanneer artikel 40ter van de Vreemdelingenwet wel zou toelaten de werkloosheidsuitkeringen van wie actief naar werk zoekt in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de bestaansmiddelen, maar niet de inkomsten uit arbeid van wie is tewerkgesteld in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet, dat zoals gezegd tot doel heeft de betrokkene opnieuw in te schakelen in het arbeidsproces of in het stelsel van de sociale zekerheid, daarin inbegrepen het werkloosheidsstelsel. Tot slot kan nog worden aangestipt dat tewerkstelling op grond van artikel 60 OCMW-wet inderdaad niet kan beschouwd worden als financiële maatschappelijke dienstverlening, nu dit laatste gaat om een financiële aanvulling van socialezekerheidsprestaties of een financiële aanvulling van het bestaansminimum (W. VAN EECKHOUTTE, Socialezekerheidsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1998, 329.), wat niet het geval is.