Samenvatting
Verzoekster wijst er onder meer op dat ten onrechte geen rekening is gehouden met haar ernstige gezondheidsproblemen. Zij voegt in dit verband allerhande medische stukken toe. Niettegenstaande de ziekenhuisopname van verzoekster dateert van na het nemen van de bestreden beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten, blijkt uit deze stukken minstens dat zij ernstige pijn- en rugproblemen heeft waarvoor zij in België medisch wordt behandeld en opgevolgd.
De Raad benadrukt dat, zoals volgt uit voorgaande bespreking, de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat het bestuur wanneer het een verwijderingsmaatregel uitvaardigt rekening dient te houden met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land. In dit verband heeft het Hof van Justitie in zijn arrest van 11 december 2014 in de zaak C-249/13 ook duidelijk gesteld dat het recht om te worden gehoord voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd onder meer tot doel heeft de betrokkene in staat te stellen zijn standpunt uiteen te zetten betreffende onder meer de elementen vervat van artikel 5 van de richtlijn 2008/115, met name het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand, alsook opdat het bestuur rekening kan houden met “alle relevante gegevens van het geval”. Gelet op voorgaande rechtspraak van het Hof van Justitie, kan verweerder niet meer dienstig verwijzen naar de door hem aangehaalde rechtspraak uit de jaren negentig dat de hoorplicht niet zou gelden in het kader van de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten.
Verweerder betwist in de nota met opmerkingen als dusdanig niet dat geen specifiek onderzoek werd gevoerd in het licht van de elementen vervat in artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet, noch dat verzoekster niet werd gehoord. Hij betoogt evenwel dat deze laatste wetsbepaling geen uitdrukkelijke motiveringsplicht inhoudt en verzoekster zich op dit punt beperkt tot loutere beweringen.
Verzoekster maakt evenwel aannemelijk dat zij, indien zij was gehoord, minstens relevante gegevens én stukken had kunnen aanbrengen betreffende haar gezondheidstoestand, waarmee verweerder op grond van artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet rekening had moeten houden. Verweerder stelt thans in dit verband dat verzoekster deze kan aanbrengen in het kader van de verblijfsprocedure op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, doch dit betreft een a posteriori motivering die het gebrek aan onderzoek en/of motivering op het ogenblik van het geven van het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten niet kan rechtzetten (cf. RvS 28 oktober 2008, nr. 187.420). Er blijkt ook geenszins dat verzoekster kan worden verweten nog geen aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet te hebben ingediend, nu zij tot het nemen van de bestreden beslissing in het Rijk verbleef in het bezit van een geldige verblijfstitel.