Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 151.466 - 31-08-2015

Samenvatting

Het Hof van Cassatie erkent het adagium “fraus omnia corrumpit” als algemeen rechtsbeginsel. Het houdt in dat de dader van een bedrieglijke handeling geen voordelen uit zijn bedrog kan halen. Het rechtsbeginsel vindt niet enkel toepassing in het verbintenissenrecht, maar kan bijvoorbeeld bij het (toenmalig) gebrek aan een uitdrukkelijke bepaling ter zake in het Wetboek van de Belgische Nationaliteit ook worden aangewend om de Belgische nationaliteit te ontnemen indien deze werd toegekend op basis van een schijnhuwelijk (Cass. 23 januari 2015, C.13.0157.N). Een algemeen rechtsbeginsel kan eveneens als autonome rechtsgrond worden aangewend om een bestuurlijke beslissing te onderbouwen (RvS 19 juli 2012, nr. 220.341). Het is aldus een regel met wettelijke waarde, die in een ruime waaier van situaties en rechtsverhoudingen toepassing kan vinden.
 
Anderzijds dient te worden vastgesteld dat de wetgever, bij het invoeren van artikel 42septies van de vreemdelingenwet, de gevolgen van de fraude op het verblijfsrecht van familieleden van een burger van de Unie c.q. Belg uitdrukkelijk heeft geregeld. Artikel 42septies van de vreemdelingenwet moet dan ook worden aanzien als een bijzondere bepaling die, in de specifieke rechtsverhouding tussen de staat en de vreemdelingen die een verblijfsrecht genieten als familielid van een burger van de Unie c.q. Belg, de voorwaarden en de gevolgen van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit vastlegt. Gelet op het beginsel dat de bijzondere regel voorrang heeft op de algemene regel en gelet op het gegeven dat de algemene rechtsbeginselen in de normenhiërarchie naast de wet staan en deze de wet slechts kunnen aanvullen in de mate dat er onduidelijkheden of leemtes zijn in de wet, zonder er evenwel in beginsel van te kunnen afwijken of er tegen in te kunnen gaan, moet dan ook voorrang gegeven worden aan de duidelijke en specifieke bepaling van artikel 42septies van de vreemdelingenwet. Met betrekking tot familieleden van een burger van de Unie c.q. Belg kan bijgevolg geen toepassing worden gemaakt van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit om af wijken van of in te gaan tegen het bepaalde in artikel 42septies van de vreemdelingenwet.
 
Het is evenwel denkbaar dat er geen benadeling uitgaat van een beslissing die formeel slechts verwijst naar het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit wanneer deze beslissing niettemin volledig te kaderen valt binnen de bepalingen van artikel 42septies van de vreemdelingenwet. In die optiek zou het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit overigens ook niet afwijken van de wet.
 
Er dient dan ook te worden onderzocht of de eerste bestreden beslissing die toepassing maakt van het genoemde algemeen rechtsbeginsel, in rechte en in feite ingepast kan worden in de bepalingen van artikel 42septies van de vreemdelingenwet.
 
Artikel 42septies van de vreemdelingenwet luidt als volgt:
“De minister of zijn gemachtigde kan de binnenkomst weigeren of een einde stellen aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie of van zijn familieleden indien deze of dezen valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten hebben gebruikt, of fraude gepleegd hebben of ander onwettige middelen gebruikt hebben die van doorslaggevend belang geweest zijn voor de erkenning van dit recht.”
 
Aldus kan met toepassing van artikel 42septies van de vreemdelingenwet, slechts worden besloten om de binnenkomst te weigeren of om “een einde te stellen aan” het verblijf wanneer de burger van de Unie of zijn familielid valse of misleidende informatie, of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging tot verblijf.
 
Hoewel een schijnhuwelijk, zoals in casu, valt onder de term “fraude” zoals voorzien in artikel 42septies van de vreemdelingenwet en de verzoekster ook niet betwist dat haar huwelijk met de heer J. V. nietig werd verklaard wegens schijnhuwelijk, dient te worden opgemerkt dat artikel 42septies van de vreemdelingenwet slechts voorziet in de mogelijkheid om in dergelijk geval een einde te stellen aan het verblijfsrecht (ex nunc) en niet om het verblijfsrecht in te trekken (ex tunc). De toepassing van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit werkt in casu dan ook, zoals de verzoekster doet gelden, contra legem hetgeen niet is toegelaten.
 
Door verzoeksters verblijfsrecht ab initio in te trekken en hiertoe te verwijzen naar het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” heeft de gemachtigde dan ook artikel 42septies van de veemdelingenwet en de materiële motiveringsplicht miskend.